|
Uitspraak
00/3238
ALGEM en 00/3247 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats], hierna:
belanghebbende,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het
Lisv.
Bij besluit van 19 juli 1999 heeft het bestuursorgaan ongegrond
verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen besluiten van 7 mei 1998
waarbij aan haar aanvullende premienota's over de jaren 1995 en 1996 en
boetenota's over deze jaren zijn opgelegd.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 10 mei 2000 het namens
belanghebbende tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en
dat besluit vernietigd voorzover het betreft de oplegging van de
premieverhoging, het bezwaar van belanghebbende alsnog gegrond verklaard
en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het
vernietigde gedeelte van het besluit, het beroep voor het overige
ongegrond verklaard, het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten
van belanghebbende en bepaald dat het bestuursorgaan het door
belanghebbende gestorte griffierecht vergoedt.
Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 12 juli 2000
aangevoerde gronden van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens belanghebbende is J.J. Tabak, werkzaam bij de Fiscount
Adviesgroep te Zwolle, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen)
van 23 augustus 2000 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens belanghebbende is een verweerschrift, gedateerd 15 augustus 2000,
ingediend.
Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift, gedateerd 6 september 2000,
ingediend.
Desgevraagd is namens belanghebbende een vonnis van 2 juni 1999 van de
meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Roermond toegezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13
september 2002, waar voor belanghebbende - daartoe ambtshalve opgeroepen
- zijn verschenen J.J. Tabak, voornoemd, en de bedrijfsadviseur van
belanghebbende P.G.H.M. Pijls en waar voor het bestuursorgaan - daartoe
eveneens ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr. L.M. Kos, werkzaam
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Aan de bij voormeld besluit van 19 juli 1999 gehandhaafde premie- en
boetenota's over de jaren 1995 en 1996 ligt ten grondslag een rapport
van 24 maart 1998, in welk rapport verslag is gedaan van een
opsporingsonderzoek, verricht vanwege het bestuursorgaan in samenwerking
met de belastingdienst/FIOD, naar door belanghebbende niet verantwoorde
loonbetalingen voor overwerk, werken op zaterdag en andere prestaties.
Blijkens dit rapport werd daarbij gebruik gemaakt van valse facturen van
het [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam]). De opgelegde boetenota's
betreffen 100% van de alsnog verschuldigde premies voor de sociale
werknemersverzekeringswetten. Naar de mening van het bestuursorgaan is
in dit geval sprake geweest van ernstige en verhoudingsgewijs
omvangrijke fraude.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de opgelegde
premienota's in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat
bij gebreke van exacte en betrouwbare loongegevens het bestuursorgaan de
premies bij benadering mocht vaststellen en dat daarbij door het
bestuursorgaan zorgvuldig te werk is gegaan. Naar het oordeel van de
rechtbank heeft het bestuursorgaan genoegzaam aannemelijk gemaakt op
welke wijze belanghebbende zwart geld creëerde waarmee zwarte lonen
betaald konden worden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het
bestuursorgaan voldoende heeft gemotiveerd hoe hij aan het totaalbedrag
van de facturen [bedrijfsnaam] is gekomen, op welk bedrag de
navorderingen zijn gebaseerd. Daarbij is niet gebleken van gemaakte
fouten bij het overnemen van bedragen uit de administratie van
belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het
bestuursorgaan uitgaan van de administratie zoals die was ten tijde van
het moment van huiszoeking. Met betrekking tot de grief van
belanghebbende dat ten onrechte brutering heeft plaatsgevonden heeft de
rechtbank overwogen dat het bestuursorgaan heeft voldaan aan de op hem
rustende bewijslast dat belanghebbende, toen zij de loonbetalingen deed,
de wettelijk voorgeschreven inhoudingen op het loon voor haar rekening
wilde nemen, nu deze betalingen zijn gedaan onder omstandigheden die
verhaal op de werknemers van die inhoudingen bij voorbaat uitsluiten.
Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de
loonadministratie onvolledig was en dat uit getuigenverklaringen naar
voren is gekomen dat het in de loonadministratie verantwoorde personeel
alsmede belanghebbende zich ervan bewust waren dat er voor gewerkte
overuren zwart werd betaald. Tevens heeft de rechtbank daarbij in
aanmerking genomen dat uit de administratie van belanghebbende niet
blijkt aan wie de overige zwarte betalingen zijn gedaan. Met het
vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat met
betrekking tot de loonbetalingen aan niet verantwoord personeel terecht
het anoniementarief is toegepast.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de boetenota's evenwel
niet in stand gelaten. Daarbij heeft zij betekenis toegekend aan het in
rubriek I vermelde vonnis, waarbij de directeur/enig aandeelhouder van
belanghebbende is veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid
ten algemenen nutte voor de tijd van 240 uren in de plaats van een
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de tijd van zes maanden. Er vanuit
gaande dat de wegens hetzelfde complex van feiten aan belanghebbende
opgelegde premieverhoging indirect haar directeur/enig aandeelhouder
treft bij wie immers het vermogensrechtelijke belang van belanghebbende
berust, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat artikel 12, vijfde
lid, (oud) van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) zodanig moet
worden uitgelegd dat die bepaling er aan in de weg staat dat indirect
dezelfde persoon voor in wezen hetzelfde feit punitief getroffen wordt.
Het stond het bestuursorgaan dan ook niet meer vrij alsnog
premieverhogingen op te leggen.
Belanghebbende is in hoger beroep gekomen omdat zij zich niet kan
verenigen met de omvang van het loon, zoals berekend door het
bestuursorgaan. Daartoe heeft zij gesteld dat gebleken is dat een
substantieel bedrag aan facturen van [bedrijfsnaam] niet is betaald.
Deze facturen zijn ten onrechte door [bedrijfsnaam] verzonden. Inmiddels
heeft dit bedrijf belanghebbende creditnota's doen toekomen. Ter
zitting van de Raad is deze stelling nader cijfermatig onderbouwd.
Voorts is belanghebbende in hoger beroep gekomen, omdat zij zich niet
kan verenigen met het oordeel van de rechtbank omtrent de brutering.
Naar haar mening heeft het bestuursorgaan niet aannemelijk gemaakt dat
zij ten tijde van de loonbetalingen de inhoudingen voor haar rekening
wilde nemen. Hieraan heeft zij toegevoegd dat er slechts betalingen
buiten de loonadministratie zijn gedaan aan eigen medewerkers.
Het bestuursorgaan is in hoger beroep gekomen omdat hij zich niet kan
verenigen met de uitleg die de rechtbank aan artikel 12, vijfde lid,
(oud) van de CSV heeft gegeven. Deze wetsbepaling staat naar haar mening
er niet aan in de weg dat naast een strafrechtelijke veroordeling van de
directeur/enig aandeelhouder van een vennootschap een separate sanctie
wordt opgelegd ten laste van de vennootschap. Daarbij heeft hij ook
gewezen op twee arresten van de Hoge Raad, gepubliceerd in BNB 1993/198
en BNB 1995/95. Wel is het bestuursorgaan van mening dat een
evenredigheidstoets dient plaats te vinden. In dit geval acht het
bestuursorgaan geen grond aanwezig om rekening houdend met het vonnis
van de strafrechter en de ernst van de overtreding van de door de CSV
opgelegde verplichting voor een matiging van de opgelegde boetes.
De Raad is van oordeel dat de grief van belanghebbende inzake de omvang
van het loon waarover premies zijn nageheven, faalt. Aan de door haar
overgelegde correspondentie met [bedrijfsnaam], waaronder creditnota's,
kent de Raad niet de betekenis toe die belanghebbende daaraan gehecht
wenst te zien. Niet alleen zijn deze nota's van recente datum en is ten
tijde van het opsporingsonderzoek niet gebleken dat bepaalde facturen
ten onrechte waren verzonden, doch vooral mag niet uit het oog worden
verloren dat [bedrijfsnaam] heeft meegewerkt aan het creëren van een
zwarte kas bij belanghebbende. Voorts verdient de aandacht dat het te
dezen gaat om een schatting. In het licht hiervan onderschrijft de Raad
het oordeel van de rechtbank dat het bestuursorgaan mocht uitgaan van de
administratie zoals die bij belanghebbende is aangetroffen. Dat mogelijk
naar te hoge bedragen premies zijn nageheven, komt voor rekening en
risico van belanghebbende.
Ook de grief inzake de brutering faalt. Met de rechtbank is de Raad van
oordeel dat de loonbetalingen zijn gedaan onder omstandigheden die
verhaal van alsnog verschuldigde loonheffing en premies
volksverzekeringen op de werknemers bij voorbaat uitsluiten. Hierbij
wijst de Raad erop dat er geen administratieve bescheiden aanwezig zijn
waarop een verhaal gebaseerd zou kunnen worden. Van de loonbetalingen
waarop het bestreden besluit ziet is geen administratie bijgehouden,
terwijl voorts uit het opsporingsonderzoek is gebleken dat niet alleen
de facturen en de loonadministratie vals waren, maar tevens de
grootboekadministratie en de kasadministratie. De Raad voegt hieraan toe
dat belanghebbende ook niet heeft aangegeven op welke wijze verhaal tot
de mogelijkheden zou behoren. De enkele stelling dat aan eigen personeel
zou zijn uitbetaald, biedt in dit geval onvoldoende grond voor een
andersluidend oordeel.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende niet
slaagt. Het hoger beroep van het bestuursorgaan slaagt daarentegen wel.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat artikel 12, vijfde
lid, (oud) (thans artikel 12c) van de CSV niet zover strekt dat bij een
vennootschap met een directeur/enig aandeelhouder die vennootschap dient
te worden vereenzelvigd met haar directeur/enig aandeelhouder met als
gevolg dat na een strafrechtelijke veroordeling van de directeur/ enig
aandeelhouder er geen plaats meer is voor het opleggen van een sanctie
als bedoeld in artikel 12 van de CSV. Artikel 12 van de CSV ziet
uitsluitend op de natuurlijke of de rechtspersoon die als werkgever
optreedt. Met het bestuursorgaan is de Raad tevens van oordeel dat de
fiscale jurisprudentie evenmin steun biedt aan de opvatting van de
rechtbank. Wel dient in het licht van deze jurisprudentie en overigens
ook in die van de Raad de omstandigheid dat de directeur/enig
aandeelhouder strafrechtelijk is vervolgd, te worden meegenomen bij het
bepalen van de hoogte van de boete. In dit geval is de Raad van oordeel
dat, gelet op de ernst van de handelwijze van belanghebbende en de mate
waarin deze handelwijze haar kan worden verweten, er geen grond is voor
een matiging van de opgelegde boeten. Op dit punt volgt de Raad dan ook
het bestuursorgaan.
De uitspraak van de rechtbank, voorzover door het bestuursorgaan
aangevochten, dient mitsdien te worden vernietigd. Voor het overige
houdt deze uitspraak stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het bestreden
besluit voor wat betreft de opgelegde boetenota's is vernietigd, de
bezwaren tegen deze nota's alsnog gegrond zijn verklaard, het
bestuursorgaan is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en
bepaald is dat het bestuursorgaan het door belanghebbende gestorte
griffierecht dient te vergoeden;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 december 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|