|
Uitspraak
00/3513
ALGEM en 00/3514 WW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. R.B.J. Dooijewaard, werkzaam bij het Buro
voor Rechtshulp te Haarlem, op bij beroepschriften van 7 juli 2000
aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank
Haarlem op 23 mei 2000 gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een op 4 oktober 2000 respectievelijk 6 oktober 2000
gedagtekend verweerschrift ingezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3
oktober 2002, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door
mr. J.C. van Houtrijve, eveneens werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp
te Haarlem, als zijn gemachtigde. Gedaagde heeft zich in het geding
geregistreerd onder nummer 00/3513 ALGEM doen vertegenwoordigen door mr.
R.P. Bourne, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. In het geding geregistreerd onder nummer
00/3514 WW heeft gedaagde, zoals aangekondigd, zich niet laten
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft op grond van een vervoersovereenkomst met [bedrijfsnaam]
(hierna: [werkgever]), in de jaren 1995, 1996 en 1997 voor [werkgever]
koerierswerkzaamheden verricht waarvoor hij gemiddeld f 0,56 per gereden
kilometer heeft ontvangen. Bij besluit van 15 mei 1998 heeft gedaagde
besloten dat op grond van artikel 3 van de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet,
onderscheidenlijk artikel 5 van voornoemde wetten in verbinding met
artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986,
verzekeringsplicht aanwezig wordt geacht terzake van de werkzaamheden
die appellant vanaf 21 september 1995 voor [werkgever] heeft verricht.
Gedaagde heeft bij besluit van 19 oktober 1998 gegrond verklaard de
bezwaren van [werkgever], tegen het primaire besluit van 15 mei 1998 en
beslist dat appellant niet geacht moet worden werkzaam te zijn geweest
in een privaatrechtelijke dienstbetrekking noch in een arbeidsverhouding
welke maatschappelijk met een privaatrechtelijke dienstbetrekking gelijk
gesteld kan worden.
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van 19 oktober
1998 op de grond dat er sprake is van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking, omdat aan alle daarvoor benodigde vereisten is
voldaan, terwijl subsidiair is gesteld dat er sprake is van een
arbeidsverhouding die met een privaatrechtelijke dienstbetrekking dient
te worden gelijk gesteld.
De rechtbank, overwegende dat niet in geschil is dat aan de vereisten,
de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en gezagsverhouding
is voldaan, heeft het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat de
aan appellant betaalde onkostenvergoeding niet kan worden aangemerkt als
loon, dan wel dat er sprake is van loon in de zin van de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag, zodat er geen sprake is van een privaatrechtelijke dan wel fictieve dienstbetrekking.
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank
waarbij hij zich op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van
loon, omdat de vergoeding van f 0,56 per gereden kilometer, mede gelet
op de veelheid van de gereden kilometers, voldoende was om in zijn
onderhoud te voorzien. Daarnaast heeft appellant doen aanvoeren dat de
vergoeding die hij ontving per gereden kilometer niet een vergoeding is
die geacht kan worden te strekken tot bestrijding van de noodzakelijke
kosten zoals genoemd in artikel 6, eerste lid, onder f, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, zodat hij een bruto inkomen heeft
verworven van tenminste 40% van het wettelijk minimumloon.
In hoger beroep spitst het geding zich derhalve toe op het antwoord op
de vraag of de aan appellant verstrekte vergoeding van f 0,56 per
gereden kilometer aangemerkt kan worden als loon.
De Raad is van oordeel dat er in onderhavig geval geen sprake is van een
dienstbetrekking naar burgerlijk recht in verband met het ontbreken van
een verplichting tot loonbetaling. De door appellant ontvangen
onkostenvergoeding kan niet gezien worden als een contraprestatie, in
geld of in natura, voor de door hem verrichte werkzaamheden. De Raad
beantwoordt de hierboven geformuleerde vraag dan ook ontkennend, waarbij
hij opmerkt dat de door appellant ontvangen vergoeding per kilometer
niet uitkomt boven hetgeen in het maatschappelijk verkeer in gevallen
als het onderhavige gebruikelijk per gereden kilometer door een
werkgever wordt vergoed. De Raad vindt hiervoor steun in de
omstandigheid dat de vergoeding tevens lager is dan het forfaitaire
bedrag genoemd in de op grond van artikel 6, achtste lid van de Coördinatiewet
sociale verzekeringen gebaseerde geldende ministeriële regeling, zoals
deze luidde ten tijde in geding, welk bedrag geacht wordt te strekken
tot bestijding van de kosten per kilometer voor vervoer per auto. Het
feit dat appellant door gebruik te maken van een oude auto en door zelf
met behulp van een kennis het onderhoud te verzorgen zijn kosten laag
kon houden en daardoor zijn werkelijke kosten onder het bedrag van de
vergoeding heeft weten te houden, kan niet betekenen dat de aan
appellant verstrekte vergoeding per kilometer aangemerkt dient te worden
als loon.
Anders dan namens appellant is gesteld is de Raad voorts van oordeel dat
de door appellant ontvangen vergoeding een vergoeding is die geacht kan
worden te strekken ter bestrijding van de noodzakelijke kosten zoals
genoemd in artikel 6, eerste lid, onder f, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag en derhalve niet als loon in de zin van
laatstgenoemde wet aangemerkt kan worden, zodat evenmin sprake is van
een zogeheten fictieve dienstbetrekking.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de Raad tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak de verzekeringsplicht van appellant aangaande voor
bevestiging in aanmerking komt.
Terugvordering
Bij besluit van 26 maart 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 24 november 1998, waarbij
appellant is medegedeeld dat hij de over de periode 1 januari 1998 tot 2
maart 1998 als voorschot betaalde uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet (hierna: WW) onverschuldigd betaald heeft gekregen
omdat hij niet verzekerd was, dat even bedoelde uitkering met
terugwerkende kracht is ingetrokken en dat een bedrag van f 6.413,73
wordt teruggevorderd.
Namens appellant is daartegen in beroep aangevoerd dat de werkzaamheden
die hij voor [werkgever] heeft verricht ten onrechte als niet
verzekeringsplichtig zijn aangemerkt en dat niet valt te aanvaarden dat
met terugwerkende kracht ten nadele is teruggekomen op het besluit
waarbij hem een uitkering ingevolge de WW werd toegekend. Voorts beroept
appellant zich op het vertrouwensbeginsel omdat hem is medegedeeld dat
hij recht had op een uitkering ingevolge de WW. Daarnaast stelt
appellant dat er sprake is van een dringende reden voor gedaagde om af
te zien van de terugvordering.
De rechtbank heeft onder verwijzing naar zijn uitspraak de
verzekeringsplicht van appellant aangaande geoordeeld dat de door
gedaagde aan appellant over de periode 1 januari 1998 tot 2 maart 1998
betaalde WW-uitkering onverschuldigd is betaald en terecht en op goede
gronden van hem wordt teruggevorderd. Daartoe heeft de rechtbank kort
samengevat overwogen dat ten tijde van de toekenning van WW-uitkering
nog onzekerheid bestond omtrent het recht op WW-uitkering in verband met
de vraag of appellant voor [werkgever] verzekeringsplichtige
werkzaamheden heeft verricht en dat volgens vaste jurisprudentie
mededelingen van ambtenaren van een uitvoeringsorgaan niet al te spoedig
als die organen bindende uitlatingen moeten worden opgevat. Een
dringende reden op grond waarvan gedaagde zou moeten afzien van de
terugvordering is naar het oordeel van de rechtbank door appellant niet
aannemelijk gemaakt.
Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat
in vergelijking met het door hem in eerste aanleg aangevoerde geen
wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad ook niet tot een ander
oordeel kunnen brengen. Evenals de rechtbank en met overneming van de
daartoe door haar gebezigde gronden is de Raad van oordeel dat gedaagde
terecht en op juiste wijze heeft besloten de over de periode 1 januari
1998 tot 2 maart 1998 betaalde voorschotten in het kader van de WW van
appellant terug te vorderen. De Raad merkt daarbij op dat in het
toekenningsbesluit van 21 september 1998 uitdrukkelijk is vermeld dat in
verband met het nog lopende beroep inzake de verzekeringsplicht van
appellant de uitkering als voorschot dient te worden beschouwd en dat
afhankelijk van de uitkomst van die procedure de mogelijkheid bestaat
dat de uitkering moet worden terugbetaald.
Het hoger beroep met betrekking tot de terugvordering kan mitsdien niet
slagen en de onderhavige aangevallen uitspraak komt eveneens voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van
R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december
2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|