|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/3081 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. W.W. Jansen, advocaat te Hoofddorp, op bij
aanvullend beroepschrift van 26 juli 2002 aangevoerde gronden bij de
Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder
dagtekening 7 mei 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 13 september 2002
ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 3 januari 2003, waar partijen met voorafgaand
schriftelijk bericht niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of gedaagde appellant bij
besluit van 22 mei 2001 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft
verklaard wegens het feit dat appellant bij het instellen van bezwaar
één van de ingevolge artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) gestelde formele vereisten van het bezwaarschrift niet in
acht heeft genomen.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij geoordeeld
dat de in artikel 5 van het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv
2001 in welk reglement gedaagde regels heeft vastgelegd over de wijze
waarop invulling wordt gegeven aan de bezwaarschriftprocedure ingevolge
de Awb neergelegde beleidsregel ten aanzien van het herstellen van
vormverzuimen hem niet onredelijk voorkomt.
De Raad verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en onderschrijft
dit standpunt alsmede de overwegingen die de rechtbank daaraan ten
grondslag heeft gelegd. In hoger beroep is namens appellant naar voren
gebracht dat gedaagde door eigenmachtig de bezwaartermijn terug te
brengen van zes naar vier weken en een niet-ontvankelijkverklaring uit
te spreken op grond van een termijnoverschrijding met één dag, afgezet
tegen de termijnoverschrijdingen die gedaagde zich heeft gepermitteerd,
gehandeld heeft in strijd met de goede procesorde. De Raad kan het
standpunt van appellant niet delen aangezien gedaagde, nadat het op 21
december 2000 gedateerde voorlopig bezwaarschrift tijdig was ingediend,
appellant overeenkomstig het hierboven aangehaalde reglement bij brief
van 27 maart 2001 in de gelegenheid heeft gesteld om het verzuim binnen
vier weken te herstellen. Appellant heeft niet binnen de gestelde
termijn zijn verzuim hersteld, zodat gedaagde hem terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Onder verwijzing naar de
beleidsregels van gedaagde ten aanzien van het herstellen van
vormverzuimen merkt de Raad op dat gedaagde aan het bepaalde in artikel
6:6 van de Awb niet een onredelijke beleidstoepassing heeft gegeven.
Gelet op het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen
en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termijn aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|