|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/5316 ALGEM
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
B.W.M. Harmsen, werkzaam bij Waverijn accountants en belastingadviseurs
te Druten, heeft als gemachtigde van appellante hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Arnhem op 2 september 2002 tussen partijen
gegeven uitspraak.
II. MOTIVERING
In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het
beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij schrijven van 6 november 2002 is de gemachtigde van appellante erop
gewezen dat een griffierecht van € 327,-- is verschuldigd, bij
voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.
Bij aangetekende brief van 27 november 2002 is de gemachtigde van
appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht
en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te
zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie dient
te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die
termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen deze termijn is
betaald.
De Raad overweegt voorts volledigheidshalve dat het hoger beroep
eveneens niet-ontvankelijk verklaard zou kunnen worden op de grond dat
het beroepschrift niet binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) gestelde termijn werd ingediend. De Raad is niet
gebleken van verschoonbare termijn overschrijding als bedoeld in artikel
6:11 van de Awb.
Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest, acht de Raad het
hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek
wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van E.
Laudisio als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 februari
2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) E. Laudisio.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan
binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet
doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid
te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
|
|