|
Uitspraak
00/3900
ALGEM en 00/4149 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats], rechtsopvolger van
[bedrijfsnaam], appellante, tevens gedaagde, hierna: belanghebbende,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde, tevens appellant, hierna: het
bestuursorgaan.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het
Lisv.
Naar aanleiding van een in de periode van oktober 1995 tot en met mei
1997 bij belanghebbende gehouden opsporingsonderzoek heeft het
bestuursorgaan bij besluiten van verschillende data premie- alsmede
boetenota's opgelegd over de jaren 1994 tot en met 1997, die betrekking
hebben op bovenmatige reis- en verblijfskostenvergoedingen, doorbetaalde
Ziektewetuitkeringen en de verzekeringsplicht van zelfstandige
onderaannemers. Het tegen voornoemde besluiten ingestelde bezwaar is bij
het bestreden besluit van 9 december 1998 door het bestuursorgaan
ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 6 juni 2000 het door
belanghebbende ingestelde beroep tegen het bestreden besluit van 9
december 1998 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd,
bepaald dat het bestuursorgaan met in achtneming van de uitspraak een
nieuw besluit dient te nemen, het bestuursorgaan veroordeeld in de
proceskosten van belanghebbende en bepaald dat het door belanghebbende
betaalde griffierecht dient te worden vergoed.
Namens belanghebbende is mr. W. Hovingh, advocaat te Barendrecht, op bij
aanvullend beroepschrift van 21 september 2000 (met bijlagen),
aangevoerde gronden tegen de uitspraak van de rechtbank bij de Raad in
hoger beroep gekomen.
Het bestuursorgaan heeft bij schrijven van 21 november 2000 van verweer
gediend.
Bij brief van 8 december 2000 is namens belanghebbende op het
verweerschrift gereageerd.
Bij brief van 9 augustus 2001 heeft het bestuursorgaan de Raad op de
brief van 8 december 2000 nog een reactie doen toekomen.
Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 17 oktober
2000 (met bijlagen) aangevoerde gronden van de uitspraak van de
rechtbank Arnhem in hoger beroep gekomen.
Namens belanghebbende is bij brief van 3 november 2000 een
verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9
januari 2003, waar daartoe ambtshalve opgeroepen door de Raad,
belanghebbende is verschenen bij [naam directeur], directeur van
belanghebbende alsmede bij gemachtigde mr. Hovingh, voornoemd. Het
bestuursorgaan, eveneens daartoe door de Raad ambtshalve opgeroepen,
heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M.
Kluytmans alsmede mr. F. Verhaart, beiden werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Belanghebbende, toentertijd nog handelend onder de naam [bedrijfsnaam],
is sedert 25 oktober 1993 als werkgever aangemeld bij de toenmalige
Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. De onderneming betreft een
uitzendbureau dat zich bezig houdt met het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten, hoofdzakelijk in de vleesverwerkende industrie.
Naar aanleiding van een aantal fraudemeldingen, die betroffen het geheel
of gedeeltelijk onjuist aanmelden van personeel bij de bevoegde
bedrijfsvereniging alsmede het uitbetalen van bovenmatige
onkostenvergoedingen, heeft het bestuursorgaan met behulp van de
opsporingsdienst van GAK Nederland B.V., regio Oost, bij belanghebbende
in de periode van oktober 1995 tot en met medio 1997 een onderzoek
ingesteld.
Belanghebbende heeft in het kader van dit onderzoek de twee directeuren,
zijnde [naam directeur] en zijn broer [naam broer], gehoord. Tevens is
gehoord [naam vader], de vader van de twee directeuren. In verband met
het grote aantal arbeidskrachten dat bij belanghebbende werkzaam was,
heeft het bestuursorgaan besloten ten einde een zo getrouw mogelijk
beeld van de onderneming te krijgen, 33 werknemers te horen. Uit het
onderzoek is gebleken dat belanghebbende diverse arbeidskrachten heeft
uitgezonden. Volgens de administratie van belanghebbende blijkt dat het
hier om werknemers ging alsmede om zelfstandigen/onder(aan)nemers,
waarbij enkelen van hen personeel in dienst hadden. Blijkens diverse
verklaringen zorgde [naam vader] ervoor, waar, voor wie en tegen welke
prijs de zelfstandigen te werk werden gesteld. Vanwege de zelfstandigen
werd ter zake van de verrichte werkzaamheden niet aan belanghebbende,
maar aan [naam zusteronderneming], een zusteronderneming van
belanghebbende, een factuur verzonden die vervolgens werd betaald. Door
[naam zusteronderneming] werd in verband hiermee periodiek een
verzamelfactuur aan belanghebbende verzonden.
Naar aanleiding van dit onderzoek alsmede de diverse verklaringen heeft
het bestuursorgaan belanghebbende premie- en boetenota's over de jaren
1994 tot en met 1997 doen toekomen aangezien:
a) belanghebbende aan haar werknemers opzettelijk en structureel reis-
en onkostenvergoedingen heeft verstrekt, die ten onrechte niet als loon
zijn beschouwd en waarover ten onrechte geen premies ingevolge de
sociale werknemersverzekeringswetten zijn afgedragen;
b) belanghebbende over een periode van 1 januari 1996 tot en met week 24
van het jaar 1997 een bedrag van f 37.415,-- netto ten onrechte - zonder
inhouding van premies sociale werknemersverzekeringswetten - Ziektewetuitkeringen aan haar werknemers, die daarvan niet op de hoogte
waren, heeft doorbetaald, terwijl deze werknemers door belanghebbende in
die periode te werk werden gesteld;
c) belanghebbende structureel zelfstandige ondernemers als werknemers
van belanghebbende heeft uitgeleend, die niet als werknemers waren
aangemeld bij het bestuursorgaan terwijl zij werkzaam waren op grond van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking en terwijl voorts ook de aan
hen betaalde vergoeding voor het uitgevoerde werk niet als loon werd
verantwoord;
d) het bestuursorgaan van mening is dat de bedragen van de kennelijk
bovenmatig uitbetaalde reiskostenvergoedingen, van de ten onrechte
uitbetaalde Ziektewetuitkeringen en van de lonen uitbetaald aan de ten
onrechte als zelfstandig aangemerkte werknemers, gebruteerd dienden te
worden;
e) het bestuursorgaan van mening is dat sprake is van ernstige en
verhoudingsgewijs omvangrijke fraude als bedoeld in artikel 12 van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, waardoor oplegging van de boetenota's wordt
gerechtvaardigd.
De namens belanghebbende tegen de diverse premie- en boetenota's
ingediende bezwaren zijn bij het bestreden besluit van 9 december 1998
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
belanghebbende gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Ten aanzien van de reis- en verblijfskostenvergoedingen heeft de
rechtbank geoordeeld dat met name het in het onderhavige geval
gehanteerde steekproefsgewijze onderzoek alsmede de extrapolatie van de
onderzoeksresultaten naar de overige jaren niet voldoen aan de criteria
zoals neergelegd in de jurisprudentie van deze Raad. Het voorgaande
heeft er naar het oordeel van de rechtbank toe geleid dat het bestreden
besluit op dit onderdeel niet zorgvuldig is voorbereid en aldus voor
vernietiging in aanmerking komt.
Met betrekking tot de doorbetaalde Ziektewetuitkeringen heeft de
rechtbank overwogen dat de bepalingen omtrent het corrigeren van
premienota's niet geschreven zijn om ten onrechte uitbetaald ziekengeld
terug te vorderen, waardoor ook dit gedeelte van het bestreden besluit
voor vernietiging in aanmerking is gekomen.
Aangaande de verzekeringsplicht van de zelfstandige ondernemers is de
rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek en de daarbij opgenomen
verklaringen van de betrokken personen blijkt dat er geen verschil was
tussen de inzet van de uitzendkrachten en de inzet van de betrokken
personen, de zogenoemde zelfstandige ondernemers. De rechtbank is van
oordeel dat zij, gelijk de uitzendkrachten, werkzaam waren op basis van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De vraag naar zelfstandigheid
is hierbij niet relevant. De rechtbank heeft echter het besluit
vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding aangezien het
bestuursorgaan geen uitsluitsel kon geven of ten aanzien van de
"zelfstandige ondernemers" met personeel, er bij de
vaststelling van de premienota's rekening is gehouden met de eventueel
door deze ondernemers met betrekking tot de tussen hen bestaande
dienstbetrekking afgedragen premie.
Terzake van de brutering van de lonen van de "zelfstandige
ondernemers" is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van
een situatie waarin aangenomen kan worden dat belanghebbende ten tijde
van de loonbetalingen de wettelijke voorgeschreven inhoudingen voor zijn
rekening wilde nemen.
Tenslotte heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het feit dat het
besluit inhoudende correcties op de verschuldigde premies niet in stand
kan blijven, reeds daarom het onderdeel van het bestreden besluit
betreffende de boetenota's eveneens voor vernietiging in aanmerking
komt.
Beide partijen hebben tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep
ingesteld bij de Raad.
Het hoger beroep van belanghebbende richt zich uitsluitend tegen het
oordeel van de rechtbank dat de door belanghebbende ingeschakelde
zelfstandige onder(aan)nemers werkzaam waren op grond van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking. Aangevoerd wordt dat de
zelfstandigen/onder(aan)nemers reeds voordat belanghebbende was
opgericht, werkzaamheden voor belanghebbendes zusterbedrijf hebben
aangenomen en uitgevoerd bij een groot aantal opdrachtgevers in de
vleesindustrie. Toen belanghebbende is opgericht werden er steeds meer
werkzaamheden uitgevoerd met eigen personeel, de uitzendkrachten.
Daarnaast werden er nog steeds zelfstandigen/onder(aan)nemers ingehuurd
vanuit de historisch gegroeide situatie. Als zodanig waren deze
arbeidskrachten derhalve niet werkzaam op grond van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Het bestuursorgaan is in hoger beroep gekomen ten aanzien van de
volgende punten. Bestreden wordt de vernietiging van de correcties door
de rechtbank ter zake van de reis- en verblijfskostenvergoedingen wegens
strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Aangevoerd wordt dat het onderzoek van het bestuursorgaan, bestaande uit
de algehele bevindingen uit het opsporingsonderzoek alsmede de door het
bestuursorgaan tijdens het onderzoek gehanteerde steekproef naar de
wijze waarop belanghebbende de reis- en verblijfskostenvergoedingen
heeft verstrekt, zorgvuldig is geweest.
1. Ter zake het oordeel van de rechtbank dat met betrekking tot de
doorbetaalde Ziektewetuitkeringen, de bepalingen omtrent het corrigeren
van premielonen niet zijn geschreven om ten onrechte uitbetaald
ziekengeld terug te vorderen, is het bestuursorgaan, zoals nader ter
zitting van de Raad is toegelicht, van mening dat, de aan de werknemers,
via belanghebbende, achteraf ten onrechte betaalde Ziektewetuitkeringen,
beschouwd dienen te worden als een loonbetaling waarover de werkgever
belasting en premies verschuldigd is.
2. Aangaande het oordeel van de rechtbank dat met betrekking tot de
brutering van de lonen van de zelfstandigen/onder(aan)nemers geen sprake
is van een situatie als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 4 mei
1994, wordt aangevoerd dat uit de constructie tussen belanghebbende,
[naam zusteronderneming] en de zelfstandigen/onder(aan)nemers blijkt dat
de gehele bedrijfsvoering van belanghebbende erop is gericht de
uitvoeringsinstelling te benadelen hetgeen zeker een rol dient te spelen
bij de vraag of brutering als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad is
toegestaan.
3. Naar aanleiding van het oordeel van de rechtbank dat vanwege de
vernietiging van de correctienota's, tevens de ten aanzien van die
correcties opgelegde boetenota's, niet in stand kunnen blijven, is het
bestuursorgaan de mening toegedaan dat er in casu sprake is van een
ernstige en omvangrijke fraude.
De Raad overweegt als volgt.
Met betrekking tot de grief van belanghebbende inzake de inzet van
zelfstandigen/onder(aan)nemers is de Raad gelet op de gedingstukken van
oordeel dat deze, door de wijze waarop de zelfstandigen/onder(aan)nemers
tewerk worden gesteld bij een opdrachtgever, de beloningen en
vergoedingen alsmede de afspraken op welke wijze de
zelfstandigen/onder(aan)nemers bij de opdrachtgevers zullen geraken,
feitelijk op dezelfde wijze en onder dezelfde omstandigheden bij
opdrachtgevers te werk worden gesteld als het eigen personeel van
belanghebbende. Aan de omstandigheid dat zij factureren aan [naam
zusteronderneming] die op haar beurt een nota verzend aan
belanghebbende, kan niet die betekenis worden gehecht die belanghebbende
daaraan toegekend wil zien. Ook een historisch gegroeide situatie, zoals
namens belanghebbende is aangevoerd, brengt naar het oordeel van de Raad
niet mee dat hierin nimmer enige verandering kan komen.
De Raad komt tot de conclusie dat de door het bestuursorgaan in het
bestreden besluit aangenomen verzekeringsplicht, op juiste gronden is
genomen. Het hoger beroep namens belanghebbende dient dan ook te falen.
Met betrekking tot de hoogte van de door het bestuursorgaan terzake van
het voorgaande vastgestelde premies heeft het bestuursorgaan aangegeven
dat rekening is gehouden met de premies die [naam zusteronderneming]
heeft betaald voor derden die in dienstbetrekking werkzaam zijn geweest
ten tijde in geding. Daarbij heeft het bestuursorgaan zich gebaseerd op
de betalingen door middel van de desbetreffende G-rekeningen. De Raad
overweegt hiertoe dat indien aangegeven wordt, zoals belanghebbende
heeft gedaan, dat de zelfstandigen/onder(aan)nemers met personeel reeds
premies hebben afgedragen voor hun personeel, het op de weg van het
uitvoeringsorgaan ligt hiernaar onderzoek te doen. De Raad acht het
onvoldoende dat het bestuursorgaan hierbij slechts is uitgegaan van
hetgeen op de desbetreffende G-rekeningen staat aangegeven. Te dien aanzien dient het bestuursorgaan
nog een nader aanvullend onderzoek te verrichten.
Vervolgens komt de Raad toe aan de vraag of het bestuursorgaan op juiste
gronden premiecorrecties heeft opgelegd wegens het feit dat er
bovenmatige reis- en verblijfskostenvergoedingen zijn uitbetaald aan de
werknemers van belanghebbende. De rechtbank heeft het bestreden besluit
vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, aangezien de door
het bestuursorgaan tijdens het onderzoek toegepaste steekproef niet
voldoet aan de criteria zoals deze zijn gevormd door jurisprudentie van
de Raad (verwezen wordt naar onder anderen de uitspraken van 19 april
1992, gepubliceerd in RSV 1993/109 en van 7 april 1993, gepubliceerd in
RSV 1994/38). Anders dan de rechtbank, overweegt de Raad dienaangaande
dat een vergelijking van de situaties in voornoemde uitspraken met de
onderhavige niet op gaat en derhalve toepassing mist, aangezien in casu
naar het oordeel van de Raad niet gesproken kan worden van een slechts
op bepaalde punten niet geheel juiste (zeer omvangrijke)
loonadministratie. De door het bestuursorgaan gehanteerde steekproef in
deze kan, mede gelet op het feit dat de steekproef een onderdeel vormt
van het totale onderzoek waarop het bestuursorgaan zijn beslissing heeft
gebaseerd, dan ook de rechterlijke toetsing doorstaan. Dit geldt evenzo
voor de door het bestuursorgaan toegepaste extrapolatie naar andere
jaren.
Voor wat betreft de bovenmatige reis- en verblijfskostenvergoedingen
merkt de Raad op dat ingevolge de hoofdregel van artikel 4, eerste lid,
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) al hetgeen uit
dienstbetrekking wordt genoten, loon vormt voor de premieheffing voor de
sociale werknemersverzekeringswetten. Een uitzondering hierop wordt
onder meer gemaakt in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de
CSV, waarin is bepaald dat niet tot het loon behoren vergoedingen voor
zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten.
Gegeven het uitzonderingskarakter van de bepaling over onkosten ten
opzichte van de hoofdregel, ligt het op de weg van degene die een beroep
doet op deze bepaling, namelijk belanghebbende, aannemelijk te maken dat
deze uitzondering zich voordoet. In deze bewijsvoering is belanghebbende
naar het oordeel van de Raad in het geheel niet geslaagd. Op geen enkele
wijze heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de door haar
verstrekte reis- en verblijfskostenvergoedingen volledig ter dekking van
reële kosten hebben gestrekt. Uit het door het bestuursorgaan verrichte
onderzoek is in het geheel niet verifieerbaar gebleken aan de hand van
beschikbare gegevens of de werknemers daadwerkelijk kosten hebben
gemaakt en, zo ja, of deze kosten aanvaardbaar zijn.
Met betrekking tot het van de zijde van belanghebbende gestelde dat het
bestuursorgaan geen rekening heeft gehouden met forfaitaire
vergoedingen, overweegt de Raad dat ook bij een forfaitair systeem van
onkostenvergoedingen voor de werkgever de verplichting blijft bestaan om
aannemelijk te maken dat er kosten zijn gemaakt en dat deze ter dekking
van reële kosten hebben gestrekt. Gelet op het voorgaande dient het
hoger beroep van het bestuursorgaan op dit onderdeel te slagen.
Met betrekking tot hetgeen is aangevoerd ter zake van de doorbetaalde Ziektewetuitkering is namens de gemachtigde van het bestuursorgaan ter
zitting van de Raad nader toegelicht dat de via belanghebbende aan de
werknemers, achteraf ten onrechte, uitbetaalde Ziektewetuitkeringen,
beschouwd dienen te worden als loonbetalingen aan de betrokken
werknemers, waarover de werkgever als zodanig verplicht is belasting en
premies af te dragen. De Raad is van oordeel dat het feit dat er door
het bestuursorgaan door tussenkomst van een werkgever, Ziektewetuitkeringen zijn verleend en de omstandigheid dat dit achteraf
gezien ten onrechte is geschied, dit nog niet meebrengt dat aan deze
uitkeringen het karakter van ziekengeld is komen te ontvallen. Gelet op
het voorgaande slaagt het hoger beroep van het bestuursorgaan ten
aanzien van dit onderdeel niet.
Ter zake van de brutering is ter zitting van de Raad namens
belanghebbende meegedeeld dat de belastingdienst geen naheffing heeft
opgelegd. Wat er verder zij van de opgeworpen grieven van de zijde van
het bestuursorgaan, vastgesteld moet worden dat nu de belastingdienst
heeft afgezien van een loonheffing, er geen sprake is van een voordeel
uit dienstbetrekking waarover premies geheven zouden moeten worden. Het
hoger beroep van het bestuursorgaan faalt met betrekking tot dit punt.
Tenslotte dient de vraag nog beantwoord te worden of het bestuursorgaan
op juiste gronden is overgegaan tot het opleggen van boetenota's. Het
bestuursorgaan heeft de boetenota's opgelegd vanwege het feit dat bij
belanghebbende sprake is van ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke
fraude. De Raad overweegt dat gelet op de overwegingen met betrekking
tot de premienota's, in dit stadium niet kan worden vastgesteld of in
deze sprake is van ernstige en verhoudingsgewijze omvangrijke fraude als
bedoeld in artikel 12 van de CSV en in het Besluit toepassing
bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering 2002. Ook voor
wat betreft dit onderdeel treft het hoger beroep van het bestuursorgaan
geen doel.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende
niet slaagt. Het hoger beroep van het bestuursorgaan slaagt
gedeeltelijk. Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak
gedeeltelijk moet worden vernietigd voor zover die uitspraak betrekking
heeft op het onderdeel van de bovenmatige onkostenvergoedingen. Voor het
overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het bestreden
besluit voor wat betreft de bovenmatige onkostenvergoedingen is
vernietigd;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1 lid 4 tot en met 8, 4, 5,
6, 7 en 8 van die wet en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|