|
Uitspraak
00/5174
ALGEM, 00/5175 ALGEM, 02/2128 AAW, 02/2130 ZW, 02/2131 WAO en 02/2132 AAWAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde I] en [gedaagde II], wonende te [woonplaats], respectievelijk
gedaagde I en II.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluiten van 30 juli 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagden tegen de primaire besluiten van 9 december 1998,
waarbij aan gedaagden is medegedeeld dat zij niet verzekeringsplichtig
zijn te achten in verband met de door hen voor N. Oort, handelend onder
de naam [naam eenmanszaak] Fashion, verrichte werkzaamheden.
De rechtbank Amsterdam heeft de tegen deze besluiten namens gedaagden
ingestelde beroepen bij uitspraak van 28 augustus 2000 gegrond
verklaard, deze besluiten vernietigd, het bestuursorgaan opgedragen
nadere besluiten te nemen en beslissingen gegeven ten aanzien van
griffierecht en proceskosten.
Appellant is op bij aanvullende beroepschriften van 22 december 2000
(met bijlagen) aangevoerde gronden, van die uitspraak bij de Raad in
hoger beroep gekomen.
Bij besluit van 11 oktober 1999 heeft appellant ongegrond verklaard het
bezwaar van gedaagde II tegen het primaire besluit van 14 oktober 1998,
waarbij aan haar is medegedeeld dat de eerder aan haar toegekende
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ingaande 20
februari 1995 wordt ingetrokken, omdat zij niet voldeed aan de zogeheten
inkomenseis.
Bij besluit van 11 oktober 1999 heeft appellant ongegrond verklaard het
bezwaar van gedaagde II tegen het primaire besluit van 18 september 1998
waarbij aan haar is medegedeeld dat zij met ingang van 21 februari 1994
geen recht had op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), aangezien
zij niet als verzekerde ingevolgde de ZW kan worden aangemerkt.
Bij besluit van 11 oktober 1999 heeft appellant ongegrond verklaard het
bezwaar van gedaagde II tegen het primaire besluit van 14 oktober 1998
waarbij aan haar is medegedeeld dat zij op de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag zijnde 21 februari 1994 niet als verzekerde
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) kan
worden aangemerkt.
Bij besluit van 20 oktober 2000 heeft appellant ongegrond verklaard het
bezwaar van gedaagde II tegen het primaire besluit van 3 mei 2000
waarbij aan haar is medegedeeld dat een bedrag van f 80.522,06 (bruto)
van haar wordt teruggevorderd ter zake van over de periode 20 februari
1995 tot 1 oktober 1998 volgens appellant onverschuldigd betaalde
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De rechtbank Amsterdam heeft de tegen de besluiten van 11 oktober 1999
en 20 oktober 2000 namens gedaagde II ingestelde beroepen bij uitspraak
van 22 februari 2002 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, het
bestuursorgaan opgedragen nadere besluiten te nemen, beslissingen
gegeven ten aanzien van griffierecht en proceskosten en het verzoek tot
vergoeding van wettelijke rente afgewezen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 17 juni 2002
aangevoerde gronden, van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens gedaagde II is een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9
januari 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
J.B. van der Horst en mr. M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv, en waar
gedaagden in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. M. Westerveld,
advocaat te Amsterdam.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak van 28 augustus 2000, waarbij gedaagde I en
gedaagde II als respectievelijk eiser en eiseres zijn aangemerkt en
appellant als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Eiseres is blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van 19
april 1993 vanaf 5 april 1993 eigenaresse van de eenmanszaak [naam
eenmanszaak] (hierna: [naam eenmanszaak]).
Blijkens de door eiser ondertekende arbeidsovereenkomst is hij met
ingang van 1 mei 1993 in dienst getreden bij [naam eenmanszaak] tegen
een bruto maandsalaris van f 4.000,--.
Blijkens een overeenkomst tot overdracht heeft eiseres op 14 september
1993 [naam eenmanszaak] overgedragen aan [naam eigenaar]. Eiseres is na
de overdracht als bedrijfsleidster in dienst gebleven bij [naam
eenmanszaak], maar zij diende verantwoording over haar werkzaamheden af
te leggen aan [naam eigenaar].
Bij beslissing op bezwaar van respectievelijk 12 en 13 september 1995
heeft verweerder eiser van 1 mei tot en met 7 juli 1993 en eiseres met
ingang van 14 september 1993 aangemerkt als werknemer in de zin van de
sociale werknemersverzekeringswetten en derhalve verplicht verzekerd
geacht voor de sociale verzekeringswetten.
Naar aanleiding van een melding van arbeidsdeskundige de heer A.H.T. Tee
is de afdeling opsporing, regio Noord-West, van Gak Nederland B.V. een
onderzoek gestart. In het kader van dit onderzoek is [naam eigenaar] op
27 april 1998 gehoord. [naam eigenaar] heeft, in tegenstelling tot een
eerdere verklaring van 25 juli 1994, verklaard dat eiser en eiseres in
mei 1993 samenwoonden. Voorts heeft [naam eigenaar] verklaard dat eiser
in de praktijk mede-eigenaar van [naam eenmanszaak] was en geen
werknemersstatus had. Volgens [naam eigenaar] zijn de
salarisspecificaties aan eiser fictief opgesteld en ontving hij in
werkelijkheid geen loon. Tot slot heeft [naam eigenaar] verklaard dat
hij op 14 september 1993 de onderneming slechts op papier van eiseres
heeft overgenomen, omdat zij niet aan de formele vereisten voldeed. De
resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 juli
1998.
Op basis van dit rapport is verweerder bij besluiten van 9 december 1998
teruggekomen van zijn besluiten van 12 september 1995. Verweerder heeft
bij deze besluiten aan eisers meegedeeld dat zij niet verplicht
verzekerd worden geacht ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten.
Eiseres zijn naar aanleiding van het door hen tegen deze besluiten
ingediende bezwaarschriften op 25 mei 1999 gehoord.
Verweerder heeft vervolgens bij de bestreden besluiten de bezwaren van
eiseres ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser vanaf 1 mei 1993 en
eiseres vanaf 14 september 1993 niet verplicht verzekerd zijn voor de
sociale werknemersverzekeringswetten. Verweerder is tot deze conclusie
gekomen op grond van het rapport van de looninspecteur van 28 juni 1994
en de door [naam eigenaar] ten overstaan van een opsporingsfunctionaris
in het kader van het nieuwe onderzoek afgelegde verklaringen.
Voorts heeft verweerder overwogen dat hij gelet op vaste jurisprudentie
terug mag komen op de beslissing op bezwaar van respectievelijk 12 en 13
september 1995, aangezien vaststaat dat deze besluiten onjuist zijn
geweest en op grond van misleidende dan wel onjuiste informatie van de
kant van eiseres tot stand zijn gekomen.".
De rechtbank heeft de tegen de besluiten van 30 juli 1999 ingestelde
beroepen bij uitspraak van 28 augustus 2000 gegrond verklaard. Daarbij
heeft de rechtbank overwogen dat de op 27 april 1998 tegenover de
opsporingsfunctionaris afgelegde verklaring van [naam eigenaar], welke
verklaring voor de besluiten van 30 juli 1999 van doorslaggevende
betekenis is geweest, zich niet in de eigenlijke vorm in het dossier
bevindt en (mogelijkerwijs) niet geheel correct in het rapport van de
opsporingsdienst van het GAK is overgenomen, waardoor deze verklaring
niet ten grondslag mag liggen aan voornoemde besluiten. Derhalve is
appellant naar het oordeel van de rechtbank ten nadele van gedaagden
teruggekomen van de eerder genomen besluiten van 12 en 13 september 1995
waarbij ten aanzien van gedaagden verzekeringsplicht ingevolge de
sociale werknemersverzekeringswetten is aangenomen, op grond van feiten
die ten tijde van het nemen van die eerdere besluiten reeds bekend
waren, hetgeen niet is toegestaan.
Appellant is van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen en
heeft aangevoerd dat de rechtbank de verklaring van [naam eigenaar] van
27 april 1998 ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn oordeel, nu
gedaagden over die verklaring in eigenlijke vorm beschikten en niet
gesteld noch gebleken is dat deze verklaring niet zou overeenkomen met
hetgeen in de rapportage van de opsporingsambtenaren is opgenomen.
De rechtbank heeft de tegen de besluiten van 11 oktober 1999 en 20
oktober 2000 ingestelde beroepen bij uitspraak van 22 februari 2002
gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen met het verhoor
van [naam eigenaar] van 27 april 1998 geen nieuwe relevante feiten of
omstandigheden naar voren zijn gekomen op grond waarvan appellant
bevoegd zou zijn ten nadele van gedaagde 2 terug te komen op het besluit
van 12 september 1995 en het besluit van 16 juli 1996 waarin appellant
heeft gesteld dat gedaagde 2 heeft voldaan aan de inkomenseis.
Appellant is ook van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen
en heeft aangevoerd dat mede op grond van de verklaring van [naam
eigenaar] van 27 april 1998 duidelijk is komen vast te staan dat
destijds door [naam eigenaar] op basis van onjuiste en valselijke
gegevens een onjuist beeld van [naam eenmanszaak] werd gecreëerd
waardoor ten onrechte verzekeringsplicht voor gedaagde 2 werd
aangenomen, en dat derhalve op juiste gronden te nadele van gedaagde II
is teruggekomen op het besluit van 12 september 1995.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt met betrekking tot het hoger beroep tegen de uitspraak van
28 augustus 2000 voorop dat hij met appellant van oordeel is dat de
rechtbank ten onrechte de ver-klaring van [naam eigenaar] van 27 april
1998 buiten beschouwing heeft gelaten. Vaststaat dat gedaagden destijds
over die verklaring in eigenlijke vorm beschikten, en gesteld noch
gebleken is dat deze verklaring, welke is neergelegd in een proces-verbaal, niet zou overeenkomen met hetgeen in de rapportage van de
opsporingsambtenaren van 16 juli 1998 is opgenomen.
Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of appellant bij de
bestreden besluiten van 30 juli 1999 op juiste gronden heeft gehandhaafd
de primaire besluiten van 9 december 1998, waarbij ten nadele van
gedaagden is teruggekomen van de eerder genomen besluiten van 12 en 13
september 1995 waarbij ten aanzien van gedaagden verzekeringsplicht
ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten is aangenomen.
Met betrekking tot het besluit van 12 september 1995 heeft de rechtbank
in de aangevallen uitspraak van 22 februari 2002 de volgende feiten als
vaststaand aangenomen, waarbij gedaagde II als eiseres is aangemerkt en
appellant als verweerder:
"Eiseres heeft op 21 februari 1994 haar werk als bedrijfsleidster
bij [naam eenmanszaak] gestaakt wegens rug- en zwangerschapsklachten.
Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering krachtens de Ziektewet,
laat verweerder onderzoek verrichten naar de verzekeringsplicht van
eiseres ingevolge de Ziektewet (ZW), Werkloosheidswet (WW), Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en Ziekenfondswet (Zfw). De
looninspecteur heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport
gedateerd 28 juni 1994. In dit rapport vermeldt de looninspecteur, voor
zover voor dit geding relevant, het volgende:
"Aanleiding:
- (Papieren) overdracht van de onderneming aan [naam eigenaar]
(boekhouder) per 14-9-93, waardoor ook mevrouw [gedaagde II] ziekengeld
zou kunnen claimen.
(...)
Feiten:
Mevrouw [gedaagde II] zou de onderneming per 14-9-93 hebben overgedragen
aan de heer [naam eigenaar], boekhouder en gevolmachtigde. Fiscaal is
een dergelijke overdracht niet toegestaan en dienen schulden, inventaris
en goodwill te worden afgerekend. Hiervan is in de administratie niets
aanwezig.
Na meerdere verzoeken krijgen wij per 10 juni 1994 een
"overeenkomst tot overdracht". Bij de rapporteurs bestaat
twijfel of de overeenkomst juridisch voldoet aan de eisen. Na enig
doorvragen verklaart de heer [naam eigenaar] dat deze overeenkomst pas
werd opgesteld op 6 juni 1994 en geantedateerd is.
(...)
Derhalve geen verzekeringsplicht voor [gedaagde II] en [gedaagde I]!
De overdracht per 14-9-93 moet worden teruggedraaid en
aansluitingsnummer 27-136.160.54-01-01 moet voortbestaan c.q. herleven.
Eigenaresse blijft [naam eenmanszaak] (lees: Kar)."
Naar aanleiding van het rapport van de looninspecteur heeft verweerder
bij besluit van 23 augustus 1994 aan eiseres meegedeeld dat tussen haar
en [naam eenmanszaak] geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond,
zodat zij om deze reden niet wordt beschouwd als verzekeringsplichtig
ingevolge vorengenoemde wetten.
Tegen dit besluit is door eiseres bezwaar gemaakt, waarna verweerder bij
beslissing op bezwaar van 12 september 1995 heeft geoordeeld dat eiseres
wel degelijk verzekerd is met ingang van 14 september 1993. Daartoe is
in de beslissing op bezwaar, voor zover hier relevant, het volgende
overwogen:
"Op 4 april 1993 bent u gestart met het bedrijf [naam eenmanszaak].
In verband hiermee bent u met ingang van 12 april 1993 ingeschreven bij
de bedrijfsvereniging. Bij overeenkomst van 14 september 1993 heeft u
het bedrijf overgedragen aan de heer [naam eigenaar], uw voormalige
boekhouder. Deze overdracht is ingeschreven in het Handelsregister. De
aansluiting bij de bedrijfsvereniging ten name van u is ten gevolge
hiervan bij brief van 28 september 1994 met ingang van 14 september 1993
beëindigd. Na de overdracht van uw bedrijf bent u een
arbeidsovereenkomst aangegaan met de heer [naam eigenaar] en bent u in
dienst getreden als bedrijfsleider bij [naam eenmanszaak].
Nu uw lidmaatschap bij de bedrijfsvereniging met ingang van 14 september
1993 is beëindigd, is per deze datum niet meer in geding of u dient te
worden beschouwd als eigenaresse van [naam eenmanszaak]. In casu is aan
de orde of u met ingang van 14 september 1993 werkzaam bent in een
verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tot de heer [naam eigenaar].
Ingevolge artikel 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering is verzekerd de persoon die in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking staat. Hiervoor dient aan de
volgende vereisten te worden voldaan. Er dient een verplichting tot
persoonlijke dienstverrichting te zijn, op de werkgever dient een
verplichting tot loonbetaling te rusten en er dient werkgeversgezag
aanwezig te zijn.
Aan de eerste twee vereisten is naar het oordeel van het bestuur
voldaan. Door u zijn de werkzaamheden persoonlijk verricht en u was
hiertoe ook verplicht op grond van uw arbeidscontract. Terzake van de
loonbetaling zijn door u loonspecificaties overgelegd waaruit blijkt
dat hieraan is voldaan. Ten aanzien van de vraag of er kan worden
gesproken van een gezagsverhouding heeft het bestuur het volgende
overwogen. Uit de overeenkomst tot overdracht en de arbeidsovereenkomst
volgt dat u met betrekking tot de bedrijfsvoering verantwoording dient
af te leggen aan de heer [naam eigenaar]. Het bestuur heeft niet kunnen
vaststellen dat de feitelijke situatie hiervan afwijkt. Voorts acht het
bestuur van belang dat u geen lang verleden als zelfstandige ondernemer
heeft, u bent namelijk slechts van 4 april 1993 tot 14 september 1993
eigenaresse van [naam eenmanszaak] geweest.
Gezien het gegeven dat u in ieder geval voor wat betreft het financiële
reilen en zeilen van het bedrijf verantwoording dient af te leggen aan
de heer [naam eigenaar] en u op dit gebied tevens geen zelfstandige
beslissingsbevoegdheid heeft, acht het bestuur een gezagsverhouding
aannemelijk".
Op grond van het voorgaande concludeert verweerder dat eiseres is aan te
merken als werknemer in de zin van de WW, ZW en WAO, zodat zij op grond
van die wetten en de ZFW met ingang van 14 september 1993 verzekerd
wordt geacht."
De Raad voegt daaraan toe dat appellant ten aanzien van gedaagde I per 1
mei 1993 een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tot [naam
eenmanszaak] heeft aangenomen bij besluit van 13 september 1995,
aangezien gesproken kan worden van een met een privaatrechtelijke
dienstbetrekking gelijkgestelde arbeidsverhouding ingevolge het bepaalde
van artikel 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten in samenhang
met artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655.
De Raad merkt voorts op dat ten tijde van het nemen van de besluiten van
12 september en 13 september 1995 appellant niet alleen de beschikking
had over in de aangevallen uitspraak van 22 februari 2002 aangehaalde
rapportage van de looninspecteur van 28 juni 1994, maar ook op de hoogte
was, dan wel op de hoogte had kunnen zijn van het proces verbaal van
verhoor van [naam eigenaar] op 25 juli 1994 waarbij door [naam eigenaar]
tegenover beambten van het Horeca Interventie Team (HIT) is gesteld dat
hij slechts de papieren eigenaar was van [naam eenmanszaak], nu
appellant deel uitmaakte van het HIT. Ondanks de bij appellant bestaande
twijfel met betrekking tot verzekeringsplichtige arbeid van gedaagden,
hetgeen blijkt uit eerdergenoemde rapportage van 28 juni 1994, heeft
appellant ten aanzien van hen verzekeringsplicht aangenomen.
Aan de bestreden besluiten waarbij ten nadele van gedaagden is
teruggekomen ten aanzien van hen aangenomen verzekeringsplicht ingevolge
de sociale werknemersverzekeringswetten ligt in hoofdzaak ten grondslag
de tegenover de opsporingsambtenaren J. van Riessen en P. de Lange
afgelegde verklaring van [naam eigenaar] van 27 april 1998. In die
verklaring stelt [naam eigenaar] met betrekking tot de arbeidsverhouding
van gedaagde II dat hij slechts op papier de eigenaar was van [naam
eenmanszaak] en dat hij de salarisspecificaties van [naam eenmanszaak]
fictief heeft opgesteld.
De Raad is van oordeel dat de inhoud van deze verklaring een bevestiging
vormt van datgene wat bij appellant reeds bekend was, dan wel bekend had
kunnen zijn, waarmee niet meer dan de destijds bij appellant aanwezige
twijfel omtrent de aard van de arbeidsverhoudingen van gedaagden wordt
bevestigd. De Raad merkt in dit verband op dat de grotendeels
gelijkluidende verklaring van [naam eigenaar] uit 1994 kennelijk niet
heeft geleid tot een nader onderzoek door appellant naar de
betrouwbaarheid van de destijds van de zijde van gedaagden overlegde
loonspecificaties, hoewel daarvoor gezien die verklaring naar het
oordeel van de Raad alleszins aanleiding was. Mede daardoor wordt
verificatie van de door [naam eigenaar] nadien afgelegde verklaring
ernstig bemoeilijkt dan wel onmogelijk gemaakt.
De Raad is van oordeel dat uit een oogpunt van rechtszekerheid niet valt
te aanvaarden dat een eenmaal genomen beslissing met betrekking tot
verzekeringsplicht of tot toekenning van een uitkering, genomen op een
tijdstip waarop alle voor de beslissing relevante feiten bekend waren,
althans redelijkerwijs bekend konden zijn, met terugwerkende kracht ten
nadele van de betrokkene wordt teruggekomen.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de bestreden
besluiten van 30 juli 1999 in strijd met de rechtszekerheid zijn genomen.
Daarmee is tevens gegeven dat aan de bestreden besluiten van 11 oktober
1999 en 20 oktober 2000 de grondslag is komen te ontvallen. De
aangevallen uitspraken dienen derhalve, die van 28 augustus 2000 op
gewijzigde gronden, te worden bevestigd.
Met betrekking tot het in het verweerschrift gedane verzoek om
vergoeding van wettelijke rente merkt de Raad het volgende op. De
rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het verzoek om wettelijke
rente afgewezen. Gedaagden zijn hiertegen niet in hoger beroep gekomen.
Nu appellant het hoger beroep beperkt heeft tot het ongedaan maken van
de uitgesproken vernietiging van de betreden besluiten, is er in deze
gedingen gelet op artikel 8:69 van de Awb geen plaats voor een
inhoudelijke beoordeling van het verzoek van gedaagden terzake.
Het vorenoverwogene leidt ertoe dat ingevolge artikel 22, derde lid, van
de Beroepswet, van het Uwv een griffierecht van tweemaal € 327,--
dient te worden geheven.
Tenslotte acht de Raad termen aanwezig om het bestuursorgaan op grond
van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de
kosten van het geding in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op €
644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,--;
Verstaat dat van het Uwv een recht ten bedrage van in totaal € 654,--
wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|