|
Uitspraak
00/5504
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 15 oktober 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen het besluit van 21 november 1998, waarbij
aan haar is medegedeeld dat zij in het kader van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is ingedeeld in de categorie
grote werkgevers en dat het gedifferentieerde premiepercentage in 1999
2,33% bedraagt.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 29 augustus 2000 het namens
appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende is bij gemachtigde mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te
Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift van 9 maart 2001 aangevoerde
gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift gedateerd 13 augustus
2001 ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober
2002, waar voor appellante is verschenen mr. J.P.M. van Zijl, voornoemd,
terwijl gedaagde zich bij die gelegenheid heeft doen vertegenwoordigen
door mr. J.M. van Bezu, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 15 oktober 1999 heeft gedaagde het standpunt gehandhaafd
dat voor appellante de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in het premiejaar 1999 2,33%
bedraagt. De hoogte van deze gedifferentieerde premie is gebaseerd op de
in het jaar 1997 ten behoeve van de (ex)werknemer van belanghebbende
[naam werknemer] (hierna: werknemer) betaalde uitkering ingevolge de
WAO.
Aangezien de werknemer geen toestemming heeft verleend om zijn medische
gegevens aan gedaagde te verstrekken, heeft gedaagde een transcriptie
van de betreffende medische en arbeidskundige gegevens aan
belanghebbende ter beschikking gesteld.
Tijdens de bezwaarschriftprocedure en de procedure in eerste aanleg
heeft appellante het standpunt ingenomen dat het besluit tot
premiedifferentiatie onvoldoende is gemotiveerd, daar aan haar
onvoldoende inzicht is gegeven in de medische achtergronden van de
werknemer toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat artikel 88c
van de WAO strijdig is met artikel 6 van het EVRM voor zover dit artikel
voorschrijft dat het beroep wordt ingediend door een arts die
gemachtigde is en die ter zake in de plaats treedt van de werkgever.
Voorts heeft appellante aangevoerd dat de vaststelling van de
gedifferentieerde premie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu
het systeem van premiedifferentiatie tot gevolg heeft dat eigen
risicodragers niet en andere werkgevers wel nadelige gevolgen
ondervinden van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die voor 1 januari
1998 zijn toegekend.
Gedaagde heeft zich in verband met het bepaalde in artikel 88c van de
WAO op het standpunt gesteld dat, in het geval dat de werknemer geen
toestemming verleent om de werkgever inzage in zijn medische stukken te
geven, inzage in deze stukken is voorbehouden aan een arts-gemachtigde.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft de
rechtbank overwogen dat het voorschrift van de inschakeling van een
arts-gemachtigde, in het geval dat sprake is van een weigering van een
werknemer, niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM.
Gelet op de door de in de WAO opgenomen keuzemogelijkheid om al dan niet
eigenrisicodrager te worden, waarvan de consequenties voldoende
duidelijk blijken uit de Pemba-wetgeving en de daarbij behorende
toelichting, heeft de rechtbank geoordeeld dat van strijd met het
gelijkheidsbeginsel geen sprake is.
Naar aanleiding van de inmiddels gevormde jurisprudentie van de Raad
terzake van de onderhavige materie heeft appellante ter zitting van de
Raad haar standpunten opnieuw geformuleerd.
Appellante houdt - kort samengevat - vast aan het eerder ingenomen
standpunt dat aan appellante zelf volledige inzage moet worden gegeven
in de (medische en arbeidskundige) stukken die ten grondslag hebben
gelegen aan het besluit tot toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan haar werknemer. Voorts acht zij het
in strijd met artikel 6 EVRM dat zij, anders dan gedaagde en de
werknemer, de werknemer niet heeft kunnen laten onderzoeken door een
arts van haar keuze.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 november 1993,
gepubliceerd in BNB 1994/36, stelt appellante dat ook in het geval dat
de werkgever de keuzevrijheid heeft om eigenrisicodrager te worden
ongelijke behandeling van gelijke gevallen kan bestaan.
Ten slotte maakt appellante aanspraak op een onvoorwaardelijke
proceskostenveroordeling. Hiervoor bestaat naar het oordeel van
appellante aanleiding, daar zij gedwongen was om beroep in te stellen
ten einde kennis te kunnen nemen van de medische gegevens, die ten
grondslag hebben gelegen aan het besluit tot toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ter ondersteuning van haar standpunt
heeft appellante de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 juli
2002, kenmerk 00/515 WAO, overgelegd.
Tijdens de behandeling van het onderhavige geval ter zitting van de Raad
heeft gedaagde de Raad verzocht om bij de beoordeling van het
onderhavige geschil aan te sluiten bij de inmiddels gevormde
jurisprudentie van de Raad, de aangevallen uitspraak te vernietigen en
de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank.
Ten aanzien van het voorafgaande overweegt de Raad als volgt.
Zoals de Raad reeds heeft overwogen in de uitspraken van 20 juli 2001,
gepubliceerd in USZ 2001/197, USZ 2001/199, RSV 2001/205 en RSV
2001/232, dient in een procedure, zoals de onderhavige, in verband met
de in artikel 6 van het EVRM opgenomen eis van de "equality of
arms" geen onverkorte toepassing te worden gegeven aan de medische
besluitenregeling opgenomen in de artikelen 88 tot en met 88i van de
WAO. Blijkens deze uitspraken wordt naar het oordeel van de Raad aan de
hiervoor genoemde elementaire eis wel voldaan, indien - de artikelen 88c
en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend - in de procedures
in beroep en in hoger beroep door de administratieve rechter, met
toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, wordt bepaald dat
inzage dan wel de kennisneming of toezending van medische gegevens van
de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die
arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechter bijzondere
toestemming heeft gekregen en dat deze gemachtigde(n) - voor zover het
de medische gegevens betreft - in de plaats van de werkgever treedt
(treden). Daarbij onderkent de Raad de werkgever aldus niet op geheel
gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan
deelnemen, doch de Raad is van mening dat diens gemachtigde in staat
moet worden geacht om, al dan niet in samenwerking een arts, de belangen
van de werkgever in voldoende te behartigen. Het nog resterende verschil
in behandeling brengt werkgevers naar het oordeel van de Raad in ieder
geval niet in een wezenlijk nadeliger positie ("a substantial
disadvantage vis-a-vis his opponent") ten opzichte van de andere
partijen, als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM (vgl. arresten
Dombo Beheer BV vs Nederland, NJ 1994, 534 en Ankerl vs Zwitserland NJ
1988, 344). Dit laatste geldt ook met betrekking tot het standpunt van
belanghebbende dat zij de werknemer niet door een arts van haar keuze
kan laten onderzoeken.
De Raad volgt appellante voorts niet in haar oordeel dat gedaagde reeds
in de bezwaarschriftprocedure de artikelen 88c tot en met 88g in de
hiervoor bedoelde zin buiten toepassing had moeten laten. Blijkens zijn
uitspraak van 13 februari 2002, gepubliceerd in USZ 2002/101 en RSV
2002/130, is de Raad van oordeel dat de in dit geding aan de orde zijnde
elementen van artikel 6 van het EVRM uitsluitend zien op procedures van
rechterlijke aard. Derhalve kan een bestuursorgaan naar het oordeel van
de Raad niet worden geacht te zijn gehouden om in de
bezwaarschriftprocedure af te wijken van de medische besluitenregeling,
met name van artikel 88c van de WAO.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat in de procedure in
eerste aanleg sprake is geweest van schending van artikel 6 van het EVRM.
Hoewel uit de rechtspraak van het EHRM voortvloeit dat schending van
artikel 6 EVRM in hoger beroep kan worden hersteld, is de Raad, gelet op
de aard van de procedure en ter voorkoming van onnodige procedures in
hoger beroep, van oordeel dat met in achtneming van de hiervoor genoemde
uitgangspunten in twee rechterlijke instanties moet kunnen worden
geprocedeerd over de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden. De Raad acht derhalve termen aanwezig het geding met toepassing
van artikel 26, eerste lid, aanhef, en onder b, van de Beroepswet terug
te wijzen naar de rechtbank.
De Raad ziet in de verwijzing van belanghebbende naar het arrest van de
Hoge Raad van 17 november 1993, gepubliceerd in BNB 1994/36, geen
aanleiding om terug te komen op zijn in de hiervoor aangehaalde
jurisprudentie opgenomen standpunt dat reeds op grond van in de wet
voorziene mogelijkheid van het maken van een keuze van de werkgever om
al dan niet zelf gedurende een periode van vijf jaar het risico van
betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering moet worden vastgesteld
dat geen sprake kan zijn van ongelijke bejegening van de eigen risico
dragende en de niet eigen risico dragende werkgever. Anders
dan in het door de Hoge Raad in voornoemd arrest besproken geval, heeft
de wetgever met de invoering van de wet Pemba om de werkgevers te
activeren tot en aan te spreken op preventie van arbeidsongeschiktheid
en reïntegratie van arbeidsongeschikt geworden werknemers twee
instrumenten geïntroduceerd, de gedifferentieerde premie en het eigen
risico dragen. Beide instrumenten staan voor alle werkgevers open.
Dat deze instrumenten ter berekening van de werkgeverslasten ingevolge
de wet Pemba ieder een eigen systematiek kennen, levert naar het oordeel
van de Raad op zichzelf geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de
rechtbank zich over de inhoudelijke aspecten van het onderhavige geval
nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van
artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden
besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten
van appellante in hoger beroep. In hetgeen namens appellante is
aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.
De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 644,--.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad ten slotte vast
dat het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht door
gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Breda;
Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten in hoger beroep
van appellante tot een bedrag groot € 644,--;
Bepaalt dat gedaagde het griffierecht ad € 327,-- aan appellante dient
te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. Ch. de
Vrey en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|