|
Uitspraak
00/
6718 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 25 augustus 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 10 mei 1999, waarbij hij
over de periode van 12 januari 1998 tot en met 10 oktober 1998 als
verplicht verzekerd is aangemerkt voor de Werkloosheidswet, de Ziektewet
en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op grond van artikel
5, aanhef en onder d van deze wetten in samenhang met artikel 3 van het
Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655. Daarbij is hij niet
geacht werkzaam te zijn geweest in de uitoefening van een zelfstandig
beroep of bedrijf, waardoor hij per 1 september 1998 geen beroep kon
doen op de uitzondering opgenomen in artikel 8 van het Koninklijk besluit.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 23 november 2000 het door
appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is hiertegen op de bij een aanvullend beroepschrift van 7
februari 2001 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Van de zijde van gedaagde is een op 17 april 2001 gedateerd
verweerschrift ingediend.
Appellant heeft de Raad bij brief van 28 april 2001 aanvullende gegevens
verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 januari
2003, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich bij
die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. M.A. Koenders, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een overzicht van de feiten naar hetgeen in de
aangevallen uitspraak van de rechtbank is vermeld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in het voetspoor van
gedaagde bij het bestreden besluit geoordeeld dat appellant in de
periode in geding van 12 januari 1998 tot en met 10 oktober 1998 bij
wege van een door tussenkomst gekenmerkte arbeidsverhouding tussen hem
en [naam detacheringsbedrijf] werkzaam is geweest, waarbij inzonderheid
voor de fase vanaf 1 september 1998 appellant niet als zelfstandig
ondernemer kan worden beschouwd en geen beroep kan doen op de toen ter
zake geïntroduceerde uitzondering van verzekeringsplicht voor de
werknemersverzekeringen.
In hoger beroep heeft appellant in essentie betoogd dat hij in de
periode in geding als zelfstandig ondernemer in meerdere opdrachten
werkzaam is geweest, waarbij hij weliswaar voor het onderhavige
duurproject in een - meer dan - 40-urige werkweek in tussenkomst
automatiseringswerk grotendeels van huis uit heeft verricht, doch wel
meerdere opdrachtgevers heeft gehad en de nodige investeringen heeft
gedaan en ondernemingsrisico heeft gelopen, zoals ook blijkt uit de
afwikkeling door [bedrijfsnaam] op 16 september 2002 met doorbetaling
tot 10 oktober 2002. Appellant heeft zijn standpunt ter zitting van de
Raad nader toegelicht.
Van de zijde van gedaagde heeft het verweer hierin bestaan dat nu de
onderhavige arbeidsverhouding voldoet aan de in artikel 3 van het
Koninklijk besluit gestelde voorwaarden, alleen de verzekeringsplicht
van appellant van 1 september 1998 tot en met 10 oktober 1998 ter
discussie staat met het oog op de exceptie die toen voor een
zelfstandige ondernemer is komen te gelden. Gedaagde is overigens te
dien aanzien van oordeel dat toen van zelfstandig ondernemerschap van
appellant geen sprake is geweest. Niet alleen is slechts gebleken van
naastliggende nevenactiviteiten waarvoor geen substantiële inkomsten
zijn verworven, maar ook is niet concreet gebleken van het totstandkomen
van een aansluitende opdracht of opdrachten welke onder de
hoofdactiviteiten van appellant of diens onderneming kunnen worden
gebracht.
Gedaagde heeft daarbij de aanwezigheid van ondernemingsrisico van de
hand gewezen. Eveneens ter zitting van de Raad heeft gedaagde zijn
standpunt nader doen toelichten.
De Raad overweegt het volgende.
Op grond van de stukken, waaronder een in 1999 uitgevoerd
zelfstandigheidsonderzoek, en het verhandelde ter zitting is voor de
Raad genoegzaam komen vast te staan dat appellant in de periode in
geding stelselmatig in een tamelijk langlopend automatiseringsproject
ter implementatie van een software pakket bij wege van tussenkomst van
[naam detacheringsbedrijf] en voldoend aan alle daarvoor geldende eisen
voor slechts één opdrachtgever [bedrijfsnaam] tenminste 40 uur tot 60
uur per week tegen betaling werkzaam is geweest. De Raad is daarbij na
weging van alle bekende relevante feiten en omstandigheden tot de
overtuiging gekomen dat het opereren van appellant veeleer op een lijn
met een bemiddelde uitzendkracht, die in economisch opzicht geruime tijd
voor het verwerven van een zeker basisinkomen bij uitstek afhankelijk
van een en dezelfde opdrachtgever - zonder beduidend ander werk voor
derden - is geweest, dan dat hier sprake zou kunnen zijn van een
zelfstandig en breder zich bewegende functionaris die toentertijd zulke
risico's met ondernemen en - hier: beperkt - investeren had genomen dat
hij naar buiten toe - ook niet - na 1 september 1998 de duidelijke trekken
van een zelfstandig ondernemer met het vermogen van grote
onafhankelijkheid en het verkrijgen dan wel bezitten van - potentieel -
meerdere opdrachten in onafhankelijkheid liet manifesteren. De Raad
heeft overigens op eigen merites gewogen de voorliggende
arbeidsverhouding ter zake van het in de periode in geding de
werksituatie van appellant voornamelijk bepalende eenmalige
automatiseringsproject. Aan hetgeen appellant heeft doen aanvoeren over
andere projecten of opdrachten rond de periode in geding, voorzover
zulks te dezen al genoegzaam concretiseerbaar en verifieerbaar laat
staan relevant vermag te zijn, heeft de Raad niet die betekenis kunnen
hechten, welke appellant daaraan meent te moeten toekennen.
De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|