|
Uitspraak
00/4897
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[sportvereniging Y.], gevestigd te [Z.], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In dit geding wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is [naam voorzitter] op bij beroepschrift van 12
september 2000 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen
van een door de rechtbank Breda onder dagtekening 7 augustus 2000 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Van de zijde van gedaagde is op 7 november 2000 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari
2003, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door [naam
voorzitter], voorzitter, alsmede [naam bestuurslid], bestuurslid en
waarnemend penningmeester.
Gedaagde is bij die gelegenheid verschenen bij gemachtigde mr. R.J.
Bilderbeek, werkzaam bij het Uwv Cadans.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een onderzoek in 1997 van de belastingdienst, de FIOD en de opsporingsdienst van Cadans over de jaren 1992-1996 bij
appellante, een voetbalvereniging in de hogere regionen van de amateurs,
heeft gedaagde op 18 januari 1999 het in dit geding bestreden besluit
genomen, waartegen appellante een aantal naar strekking gelijkluidende
bezwaren in - hoger - beroep heeft ontwikkeld ter zake van de
houdbaarheid, de aard en de hoogte van de vergoedingen voor het
kantinebeheer, voor de selectiespelers van het eerste team, voor de
hoofdtrainer. De Raad zal de grieven van appellante, welke de rechtbank
bij de aangevallen uitspraak ongegrond heeft bevonden, kort en zakelijk
achtereenvolgens bespreken.
A. De houdbaarheid van het bestreden besluit in het licht van het
vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel
Volgens appellante kan gedaagde het niet maken vergoedingen van eerste
elftalspelers alsnog als loon te beschouwen, nu in een inspectierapport
van 2 januari 1990 van de buitendienstfunctionaris J. Maas van de BVG is
neergelegd dat de administratie van appellante is gecontroleerd op de
betalingen van vergoedingen aan anderen in 1989 aan de hand van de
boeken, zonder dat zulks kennelijk tot de aanname van loon voor de
eerste elftalspelers heeft geleid.
Naar het oordeel van de Raad moet deze grief falen, omdat hierin geen
ondubbelzinnige uitlatingen van de bevoegde besluitgever betreffende de
jaren thans in geding 1992-1996 zijn te onderkennen. De Raad acht dan
ook hierdoor het vertrouwensbeginsel niet geschonden, in die zin dat
geen gerechtvaardigde verwachtingen kunnen worden ontleend aan
meerbedoeld inspectierapport voor evenbedoelde jaren. Ook overigens is
de Raad niet gebleken dat het vertrouwensbeginsel is geschonden.
Evenmin acht de Raad het gelijkheidsbeginsel in verhouding tot andere
sportverenigingen geschonden, nu er in het geval van appellante sprake
was van een specifiek op gang gekomen onderzoek van onderscheidene
opsporingsinstanties met bij uitstek op de voorliggende casuďstiek
ziende conclusies. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is
de Raad in elk geval niet gebleken.
B. De aftrek aan onkosten voor vrijwilligers op de loonpost voor het
kantinebeheer
In het voetspoor van gedaagde en de rechtbank acht de Raad een mede op
aangeven van appellantes bestuur reëel geschatte kostenaftrek voor de
inzet van vrijwilligers van f 7.000,-- netto jaarlijks over 1992-1996 op
deze loonpost voldoende ruim en redelijk bemeten. De Raad heeft in de
gedingstukken en de zitting geen gerede aanknopingspunten gezien, welke
naar objectieve maatstaven een hogere aftrek van circa f 11.000,-- netto
jaarlijks als thans vanwege appellante bepleit met het oog op overigens
aan vrijwilligers verstrekte consumptiebonnen, genoegzaam verifieerbaar
en consistent benevens voldoende aannemelijk doen zijn. De Raad wijst
hierbij alles overziende er nog met nadruk op dat zijns inziens als
uitgangspunt de gehele deelomzet ten gerieve van het kantinepersoneel
als premieloon kan worden beschouwd.
C. Extra reis- en maaltijdkosten voor eerste-elftaltrainer met andere
hoofdbaan
De Raad acht niet anders dan gedaagde en de rechtbank de desbetreffende
kostenpost van de betrokken trainer reeds uit anderen hoofde met oog
voor uitsplitsing in allerhande kosten ook gezien de door de trainer
opgestelde lijst in toereikende mate op forfaitaire basis vergoed en
ziet geen steekhoudende redenen om in enige "
dubbelop"-vergoeding, welke op loon zou neerkomen, te bewilligen.
D. Bonusvergoedingen selectiespelers eerste team
De Raad kan gelet op de oplopende aard en de prestatieve berekening van
de betrokken bonusvergoedingen, gerelateerd aan duurinzet, -winstpunten
e.d., hierin niets anders dan een beloning voor verrichte arbeid zien.
De besomming van de beloning mist naar aard en inhoud de kenmerken van
traceerbare onkosten. Appellantes kwalificaties als zou het hier sigaren
uit eigen doos betreffen wegens eerder gemaakte kosten van gemiddeld €
600,-- per man per jaar hebben de Raad niet van het tegendeel kunnen
overtuigen.
De Raad tekent hierbij aan dat hij zich erin kan vinden dat de
besommingen van gedaagde op dit onderdeel corresponderen met het slechts
meenemen van de vergoedingen voor die spelers welke aan alle elementen
van de zogenaamde fictieve dienstbetrekking in de jaren in geding hebben
voldaan.
Volledigheidshalve meent de Raad nog te moeten opmerken dat hij voor de
toepasselijkheid van het wettelijk regime en de praktische
uitvoerbaarheid hiervan ter zake van de onderhavige verzekeringsplicht
en premieverschuldigdheid en de cesuur tussen loon en onkosten geen
doorslaggevend onderscheidend vermogen kan toekennen aan het vaag
afpaalbare grensgebied waarin enerzijds het amateurisme/hobbyisme
eindigt en anderzijds het semi-professionalisme begint.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|