|
Uitspraak
00/5758
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[B.V. X.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In dit geding wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. H. Kropff, fiscaal jurist van Kropff &
Partners te Zutphen, op bij aanvullend beroepschrift van 5 januari 2001
aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
rechtbank Den Haag onder dagtekening 29 september 2000 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft op 13 februari 2001 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 december
2002, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. H. Kropff,
terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A.
Koenders, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante houdt zich bezig met dienstverlening op het gebied van
interimmanagement, werving en selectieactiviteiten en dienstverlening in
de vorm van beleidsadvisering aan gemeenten op het gebied van onderwijs.
Naar aanleiding van een bij appellante in april 1997 aangevangen
looncontrole heeft gedaagde bij correctienota van 22 maart 1999 premies
ingevolge de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vastgesteld over de door
appellante in 1996 verrichte betalingen aan de in haar onderneming
werkzame interimmanagers. Bij het bestreden besluit van 14 oktober 1999
heeft gedaagde het namens appellante tegen deze correctienota en de
verzuimregistratie ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Het bezwaar
van appellante richtte zich tegen de vaststelling van premies ingevolge
de ZW, de WW en de WAO over de door appellante aan de [betrokkenen]
(hierna: betrokkenen) verrichte betalingen. Bij het bestreden besluit
heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd dat ten aanzien van
betrokkenen primair verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de ZW,
de WW en de WAO dient te worden aangenomen. Subsidiair bestaat volgens
gedaagde verzekeringsplicht op grond van artikel 5, aanhef en onder d,
van deze wetten juncto artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24
december 1986, stb. 1986, 655 (hierna: het KB).
De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep ongegrond
verklaard. De rechtbank is - samengevat - van oordeel dat in het
onderhavige geval niet is gebleken van feitelijke aanknopingspunten op
basis waarvan tot werkgeversgezag en derhalve tot een privaatrechtelijke
dienstbetrekking, als bedoeld in artikel 3 van de ZW, de WW en de WAO,
kan worden geconcludeerd. Volgens de rechtbank is echter wel sprake van
arbeidsverhoudingen, als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder d, van
deze wetten juncto artikel 3 van het KB, welke met een
privaatrechtelijke dienstbetrekking worden gelijkgesteld. Daarbij heeft
de rechtbank overwogen dat het zelfstandig uitoefenen van bedrijf of
beroep in de periode hier in geding niet in de weg staat aan het
aannemen van een fictieve dienstbetrekking op basis van het zogenoemde
tussenkomstartikel.
De rechtbank heeft voorts nog overwogen dat appellante niet in haar
belangen is geschaad doordat gedaagde de resultaten van het onderzoek
naar de verzekeringsplicht van betrokkenen niet aan appellante heeft
toegezonden, omdat zij in het bestreden besluit van deze resultaten
heeft kunnen kennisnemen.
Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt
appellante zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank zich
ten onrechte heeft beperkt tot een oordeel over de verzekeringsplicht
ten aanzien van betrokkenen. Appellante voert aan dat de
verzekeringsplicht ten aanzien van de overige bij appellante werkzame
interimmanagers tevens onderdeel van de procedure uitmaakt.
Voorts voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte is
voorbijgegaan aan het in uitspraak van de Raad van 27 februari 1997,
gepubliceerd in RSV 1997/149 en USZ 1997/100, opgenomen
beoordelingskader van verzekeringsplicht. Naar het oordeel van
appellante kan blijkens de overwegingen van de Raad in deze uitspraak in
het onderhavige geval geen toetsing aan de tussenkomstbepaling
plaatsvinden, omdat op grond van artikel 4, eerste lid en onder a, van
de ZW, de WW en de WAO verzekeringsplicht ten aanzien van de
interimmanagers is uitgesloten. Onder verwijzing naar de uitspraak van
de Raad van 16 december 1999, gepubliceerd in RSV 2000/26 en USZ
2000/46, stelt appellante dat vanwege het zelfstandig ondernemerschap
van de interimmanagers verzekeringsplicht ontbreekt.
De toetsing aan het tussenkomstartikel is volgens appellante tevens in
strijd met het "Besluit vaststelling zelfstandigheid
interimmanagers" van gedaagde van 30 september 1998, Stcrt. 1998,
193, gewijzigd bij besluit van 10 maart 1999, Stcrt. 1999, 58 (hierna:
Besluit).
De Raad overweegt als volgt.
Het geschil tussen partijen betreft de vraag of de interimmanagers bij
appellante in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam zijn
geweest en of dientengevolge bij de correctienota van 22 maart 1999
terecht premies ingevolge de ZW, de WW en de WAO zijn opgelegd.
De Raad kan zich op basis van de resultaten van het onderzoek van de
looncontroleur van gedaagde vinden in de subsidiaire grondslag van het
bestreden besluit. Naar het oordeel van de Raad is tussen betrokkenen en
appellante sprake van verzekeringsplichtige arbeidsverhoudingen in de
zin van de zogenoemde tussenkomstregelgeving, vervat in artikel 5,
aanhef en onder d, van de ZW, de WW en de WAO juncto artikel 3 van het
KB.
De Raad stelt vast, en appellante heeft dit ook niet weersproken, dat
ten aanzien van betrokkenen sprake is van het persoonlijk verrichten van
arbeid voor derden door tussenkomst van appellante als lichaam, op wie
de verplichting tot loonbetaling rust. Daarbij tekent de Raad
volledigheidshalve aan dat in casu niet genoegzaam aantoonbaar gebleken
is van een gezagsrelatie tussen appellante en betrokkenen.
De grief van appellante dat toetsing aan artikel 3 van het KB vanwege
het zelfstandig ondernemerschap van betrokkenen niet mogelijk is, treft
ten tijde in geding geen doel. Naar het oordeel van de Raad berust deze
grief op een onjuiste lezing van de door haar aangehaalde uitspraak van
de Raad van 27 februari 1997. Anders dan appellante stelt, volgt uit de
overwegingen van de Raad in deze uitspraak niet dat de
tussenkomstbepaling geen toepassing vindt ten aanzien van personen die
arbeid verrichten in de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van beroep. Het is juist dat eerst getoetst
dient te worden aan de artikelen 3 en 4 van de sociale
verzekeringswetten. Echter, indien op grond van deze bepalingen geen
sprake is van verzekeringsplicht dan dient vervolgens te worden getoetst
aan de ter uitbreiding van de verzekeringsplichtige arbeidsverhoudingen
opgenomen bepalingen van het KB. In artikel 5, tweede lid en onder a,
van het KB is een uitzondering op deze wijze van toetsing opgenomen.
Hierin is bepaald dat de arbeidsverhouding bedoeld in het eerste lid van
artikel 5 van het KB niet als dienstbetrekking wordt beschouwd, indien
het een arbeidsverhouding betreft als bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5,
onder a, b of c van de wet, doch de persoon niettemin als werknemer
wordt beschouwd. Met andere woorden, de toetsing aan artikel 5, eerste
lid, van het KB blijft achterwege indien de arbeidsverhouding kan worden
aangemerkt als een arbeidsverhouding in de zin van de artikelen 3, 4 of
5, onder a, b of c van de wet, doch niet aan alle voorwaarden is voldaan
om verzekeringsplicht aan te nemen.
Uit voorgaande overwegingen volgt naar het oordeel van de Raad dat het -
eventuele - zelfstandig ondernemerschap van betrokkenen niet aan de
toetsing aan artikel 5, aanhef en onder d, van de ZW, de WW en de WAO
juncto artikel 3 van het KB in de weg staat.
Overigens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het beroep van
appellante op het Besluit reeds faalt, daar deze regeling eerst met
ingang van 1 september 1998 in werking is getreden.
Voorts onderschrijft de Raad niet het standpunt van appellante dat de
onderhavige situatie overeenkomt met de in de door haar aangehaalde
uitspraak van de Raad van 16 december 1999 besproken situatie. In die
uitspraak is de discussie immers beperkt gebleven tot de vraag of de
interimmanagers tot de werkgever in een privaatrechtelijk
dienstbetrekking, als bedoeld in artikel 3 van de ZW, de WW en de WAO,
staan. Echter, in het onderhavige geding dient de vraag te worden
beantwoord of appellante over de aan betrokkenen verrichte betalingen
premies ingevolge de ZW, de WW en de WAO is verschuldigd, omdat zij
verplicht verzekerd zijn. Zoals de Raad hiervoor reeds heeft
vastgesteld, zijn betrokkenen vanwege het ontbreken van werkgeversgezag
niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij appellante werkzaam
geweest. Uit vorenstaande overwegingen volgt echter ook dat betrokkenen
verplicht verzekerd zijn op grond van de tussenkomstregelgeving en dat
appellante derhalve gehouden is premies ingevolge de ZW, de WW en de WAO
af te dragen.
De processuele opstelling van appellante buiten beschouwing latend, is
de Raad van oordeel dat met voorgaande overwegingen ook ten aanzien van
de "overige interimmanagers" is gegeven dat terecht
verzekeringsplicht is aangenomen. Dientengevolge heeft gedaagde terecht
bij de correctienota over het jaar 1996 over de aan hen verrichte
betalingen premies ingevolge de ZW, de WW en de WAO vastgesteld.
Op grond van vorenstaande overwegingen oordeelt de Raad dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|