|
Uitspraak
00/598
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 22 mei 2000
aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
rechtbank Amsterdam onder dagtekening 4 januari 2000 tussen partijen
gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft onder dagtekening 20 juni 2000 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 februari
2003, waar appellante zich niet heeft laten vertegenwoordigen, en waar
voor gedaagde is verschenen mr. M. Mulder werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante heeft tezamen met ongeveer 100 Poolse arbeidskrachten de
[naam VOF] opgericht, welke per 1 september 1993 als zodanig is
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Voor dit bedrijf
is sedert de oprichting een groot aantal Poolse werkkrachten op basis
van de vennootschapsovereenkomst bij derden werkzaam geweest in de
agrarische sfeer.
Naar aanleiding van een door gedaagde verricht onderzoek, waarbij
gedaagde mede gebruik heeft gemaakt van verklaringen door diverse Poolse
werkkrachten afgelegd tegenover inspecteurs van de Inspectiedienst SZW
in het kader van het toezicht op de naleving van voorschriften, gesteld
bij en/of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen, heeft gedaagde bij
besluit van 12 september 1995 aan appellante medegedeeld dat de Poolse
arbeidskrachten verzekeringsplichtig worden geacht primair op grond van
artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en subsidiair op
grond van artikel 5 aanhef en onder d van deze wetten juncto artikel 3
van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655 (hierna: het
Besluit). Meer subsidiair is de verzekeringsplicht gebaseerd op artikel
5, aanhef en onder d van deze wetten in samenhang met artikel 5 van het
Besluit.
Bij besluit van 17 september 1998 heeft gedaagde de namens appellante
tegen het besluit van 12 september 1995 ingediende bezwaren ongegrond
verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft het beroep van appellante ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat feitelijk geen
sprake was van een gelijkwaardige verhouding tussen appellante en de
Poolse vennoten van [naam vennoot] en dat er derhalve geen sprake was
van het gezamenlijk drijven van een onderneming. Verder heeft de
rechtbank overwogen dat voldaan is aan de voorwaarden voor het aannemen
van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank heeft dit
oordeel gegrond op de overwegingen dat de Poolse arbeidskrachten
gehouden waren de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en dat zij
blijkens de vennootschapsovereenkomst per gewerkt uur een vast bedrag
ontvingen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de
feitelijke gang van zaken, hierin bestaande dat appellante de contracten
met de opdrachtgevers regelde en bepaalde wie, wanneer en waar ging
werken, moet worden gesteld dat sprake was van gezagsuitoefening van
appellante over de Poolse arbeidskrachten.
Van deze uitspraak is appellante bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Daarbij is namens appellante - kort samengevat - aangevoerd dat [naam
VOF] een zelfstandige onderneming is en dat binnen dat verband de
vennoten, waaronder appellante, als zelfstandigen opereerden. Verder is
aangevoerd dat de genoemde verklaringen onvolkomenheden bevatten,
waardoor aan deze verklaringen in bewijsrechtelijke zin geen waarde mag
worden gehecht.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Ook de Raad is van
oordeel dat de vennootschapsovereenkomst, waaruit de overheersende
invloed van appellante op het reilen en zeilen binnen de vennootschap
blijkt, alsmede de feitelijke omstandigheden waaronder de Poolse
arbeidskrachten hebben gewerkt, waarbij de Raad kortheidshalve wijst
naar hetgeen hierover door de rechtbank is opgemerkt, uitwijst dat
voldaan is aan de voorwaarden voor het aannemen van privaatrechtelijke
dienstbetrekkingen, te weten persoonlijke arbeidsverrichting,
loonbetaling en de aanwezigheid van een gezagsverhouding.
Uit het voorgaande volgt tevens dat de vennoten naar het oordeel van de
Raad niet als zelfstandigen opereerden. Dat de betrokken Poolse
arbeidskrachten met appellante een vennootschap onder firma vormden -
wat daarvan overigens zij - doet aan het voorgaande niet af.
Ten slotte is de Raad van oordeel dat de door de Poolse werkkrachten
afgelegde verklaringen op het vorenstaande geen ander licht werpen.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. R.
Roeland als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R. Roeland.
|
|