|
Uitspraak
00/2973
ALGEM en 00/3001 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: belanghebbende,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het
Lisv.
Bij besluit van 16 december 1998 heeft het bestuursorgaan ongegrond
verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen besluiten van 9 december
1997 en 15 december 1997 waarbij aan haar aanvullende premienota's over
de jaren 1992 en 1993 en boetenota's over deze jaren zijn opgelegd. Het
bestuursorgaan heeft echter wel aanleiding gezien de hoogte van de
vastgestelde boetes ambtshalve in overeenstemming te brengen met de
ernst van het verzuim en deze vast te stellen op 5% van de ambtshalve
vastgestelde premie.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 13 april 2000 het namens
belanghebbende tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en
dat besluit vernietigd voorzover het betreft de besluitvorming van het
bestuursorgaan inzake de vaste onkostenvergoeding en de boetenota's
hieromtrent, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, het
bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en
bepaald dat het bestuursorgaan het door belanghebbende gestorte
griffierecht vergoedt.
Namens belanghebbende is mr. L.F. Nijenhuis, werkzaam bij Legal House BV
te Tiel, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 15 augustus
2000 aangevoerde gronden van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 13 september
2000 aangevoerde gronden van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift, gedateerd 19 september
2002, ingediend.
Namens belanghebbende is een verweerschrift (met bijlagen), gedateerd 20
december 2000, ingediend.
Bij brief van 14 januari 2003 en nogmaals bij fax van 22 januari 2003 is
namens belanghebbende verzocht om aanhouding van de zitting.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23
januari 2003, waar belanghebbende, met bericht van verhindering, niet is
verschenen. Het bestuursorgaan heeft zich doen vertegenwoordigen door
mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop geen aanleiding te zien de kort voor de zitting
gedane verzoeken tot uitstel in te willigen. Belanghebbende was ook,
blijkens de uitnodigingsbrief van 28 november 2002, reeds geruime tijd
op de hoogte van de datum waarop de zitting zou plaatsvinden en voorts
acht de Raad zich door de onderliggende gedingstukken voldoende
voorgelicht.
Blijkens het zich onder deze gedingstukken bevindende uittreksel uit het
handelsregister luidt de bedrijfsomschrijving van belanghebbendes
bedrijf: "dienstverlening op het gebied van automatisering".
Naar aanleiding van een in januari/februari 1997 van de kant van het
bestuursorgaan gehouden looncontrole heeft het bestuursorgaan aan
belanghebbende uitgereikt correctie- en boetenota's over de jaren 1992
en 1993. Deze correctienota's hebben betrekking op de verzekeringsplicht
van de freelancers de heer [naam freelancer I] en de heer [naam
freelancer II], alsmede op de vaste onkostenvergoeding. Het
bestuursorgaan heeft zich op het standpunt gesteld dat bovengenoemde
freelancers in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding staan, zodat
alsnog hiervoor premielonen moeten worden vastgesteld. Met betrekking
tot de vaste onkostenvergoeding is het bestuursorgaan van oordeel dat
een deel daarvan als bovenmatig moet worden aangemerkt, zodat deze
alsnog ten dele in de premieheffing werknemersverzekeringen moeten
worden betrokken.
In bezwaar heeft, dit in verband met enerzijds een beroep op de
zelfstandigheid van de freelancers en anderzijds in verband met het
alsnog overleggen van een lijst van kostencategorieën om de uitbetaalde
onkostenvergoedingen aannemelijk te maken, de looninspecteur een
aanvullend looncontrolerapport van 27 oktober 1997 uitgebracht.
Bij het bestreden besluit zijn de correctienota's gehandhaafd en zijn de
boetenota's teruggebracht tot 5% van de ambtshalve vastgestelde premies.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de premienota's in stand
gelaten voorzover betrekking hebbend op de verzekeringsplicht van de
freelancers [naam freelancer I] en [freelancer II], van oordeel zijnde
dat tussen belanghebbende en [naam freelancer I] en [freelancer II] in
1992 en 1993 sprake was van een arbeidsrelatie in de zin van artikel 3
van het Koninklijk besluit van 24 december 1986 (Stb. 655) hierna: het
KB. Immers, door de medewerkers zijn persoonlijk door tussenkomst van
belanghebbende werkzaamheden verricht voor derden waarbij belanghebbende
op basis van facturering een vergoeding heeft betaald aan die
medewerkers.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank evenwel de premie- en
boetenota's voorzover betrekking hebbende op de vaste onkostenvergoeding
niet in stand gelaten. Daarbij heeft zij betekenis toegekend aan de in
de bezwaarfase gegeven nadere onderbouwing van de onkostenvergoeding,
waaruit naar voren komt dat naast de posten "auto en consumpties en
lunches onderweg", welke zien op ambulant personeel, de
onkostenvergoeding tevens ziet op de posten "kantoorartikelen,
vakliteratuur en abonnementen, representatiekosten en telefoon". Nu
laatstgenoemde posten, aldus de rechtbank, niet zien op een vergoeding
van kosten die een medewerker vanwege het bijzondere, ambulante,
karakter van zijn functie maakt, kan het bestuursorgaan deze
onderbouwing niet terzijde schuiven met de enkele overweging dat niet
gebleken is dat de medewerkers die kosten in de uitoefening van hun
ambulante functie hebben moeten maken.
Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van
belanghebbende richt zich op het oordeel van de rechtbank dat tussen
belanghebbende en de hierboven genoemde freelancers in de jaren 1992 en
1993 sprake was van een arbeidsrelatie in de zin van artikel 3 van het
KB. Het hoger beroep van het bestuursorgaan ziet op de gegrondverklaring
van het beroep en het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit
op het punt van de onkostenvergoeding aan een onderzoeksgebrek lijdt.
De Raad ziet zich derhalve allereerst voor de vraag gesteld of het
bestuursorgaan terecht het standpunt heeft ingenomen dat de zelfstandig
gevestigde freelancers die belanghebbende in de betrokken jaren in
voorkomende gevallen bij derden heeft tewerk gesteld op grond van
artikel 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten in samenhang met
artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986 (Stb. 655)
verplicht verzekerd waren en deswege belanghebbende over de door haar
aan deze freelancers verrichte betalingen premies ingevolge deze wetten
had moeten afdragen.
Met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.
De Raad heeft hierbij overwogen dat de beschikbare gegevens genoegzame
concrete aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat tussen de heer
[naam freelancer I] en de heer [freelancer II] en belanghebbende een
arbeidsverhouding bestond, als omschreven in artikel 3, eerste lid, van
het KB, zijnde een arbeidsverhouding van de persoon die persoonlijk
arbeid verricht ten behoeve van een derde door tussenkomst van de
natuurlijk persoon tot wie of van het lichaam tot welk de
arbeidsverhouding bestaat. Immers, [naam freelancer I] en [freelancer
II] verrichtten metterdaad persoonlijk arbeid voor derden door
tussenkomst van belanghebbende, op wie de verplichting rustte tot
loonbetaling.
Met name het gestelde in voormelde looncontrolerapporten door de
betrokken freelancers zelf stelt buiten twijfel dat er sprake was van
een situatie van tussenkomst in omschreven zin.
Aan de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 5, aanhef en onder d,
van de sociale werknemersverzekeringswetten, in samenhang met artikel 3
van het KB, stond ten tijde van het bestreden besluit niet in de weg het
namens belanghebbende benadrukte zelfstandig ondernemersschap van [naam
freelancer I] en [freelancer II]. Pas na de inwerkingtreding van het
besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
19 augustus 1998, Stcrt. 161, vindt artikel 3 van het KB geen toepassing
ten aanzien van de persoon die arbeid verricht in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.
Het bestuursorgaan is in hoger beroep gekomen, omdat hij zich - kort
samengevat - niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het
bestreden besluit op het punt van de onkostenvergoeding aan een
onderzoeksgebrek lijdt.
Naar aanleiding van in januari/februari 1997 van de kant van het
bestuursorgaan gehouden looncontrole zijn aan belanghebbende
correctienota's van 9 december 1997 uitgereikt met betrekking tot de
jaren 1992 en 1993. Deze correctienota's hebben, voor zover in hoger
beroep van belang voor het bestuursorgaan, betrekking op
onkostenvergoedingen die belanghebbende aan haar werknemers heeft
verstrekt. Het bestuursorgaan heeft zich op het standpunt gesteld dat
deze onkostenvergoedingen ten dele als bovenmatig moeten worden
aangemerkt, zodat deze alsnog ten dele in de premieheffing
werknemersverzekeringen moeten worden betrokken.
In bezwaar heeft de looninspecteur mede naar aanleiding van
belanghebbendes poging om de uitbetaalde vaste onkostenvergoedingen
verder aannemelijk te maken, een aanvullend looncontrolerapport van 27
oktober 1997 uitgebracht.
Bij het bestreden besluit heeft het bestuursorgaan met inachtneming van
de bevindingen van dit aanvullend controlerapport de bovenmatigheid van
de onkostenvergoeding bevestigd.
De Raad ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of dit onderdeel van
het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad stelt voorop dat de hoofdregel van artikel 4 van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) luidt dat al hetgeen uit (tegenwoordige)
dienstbetrekking wordt genoten loon vormt voor de premieheffing
werknemersverzekeringen.
Een uitzondering hierop wordt onder meer gemaakt in artikel 6, eerste
lid, onder k, van de CSV, waarin is bepaald dat niet tot het loon
behoren vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot
bestrijding van de kosten.
Gegeven het uitzonderingskarakter van deze bepaling op de hoofdregel
ligt het op de weg van degene die een beroep doet op deze bepaling
aannemelijk te maken dat een dergelijke uitzondering zich voordoet.
De Raad is op basis van de stukken met het bestuursorgaan van oordeel
dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vaste
onkostenvergoeding volledig ter dekking van reële kosten heeft
gestrekt.
De Raad heeft hierbij het volgende overwogen.
Indien een werkgever een afzonderlijk bedrag uitkeert als vergoeding
voor beroepskosten, dan is voor de toepasselijkheid van artikel 6,
eerste lid, onder k, van de CSV niet vereist dat uitdrukkelijk vaststaat
op welke beroepskosten deze vergoeding betrekking heeft. Maar ook in dat
geval blijft voor de werkgever de verplichting bestaan om voldoende
aannemelijk te maken dat er kosten zijn gemaakt en dat deze kosten ter
dekking van reële kosten hebben gestrekt. De werkgever kan dit bereiken
door gedurende een bepaalde periode alsnog gespecificeerd bij te houden
welke kosten daadwerkelijk worden gemaakt door de desbetreffende
werknemers.
In dit verband stelt de Raad vast dat blijkens de onder de gedingstukken
bevindende arbeidsovereenkomst de vergoeding van f 150,-- (€ 68,07)
per maand bestemd was voor parkeerkosten en tolgeld, waaraan mondeling
nog telefoonkosten werden toegevoegd. Deze onkosten zien op ambulant
personeel. Aangezien blijkens de looncontrolerapporten de werknemers
veelal aanzienlijk langer dan 20 dagen op een bepaalde werkplek te werk
werden gesteld, kan er in casu niet gesproken worden van ambulant
personeel en zijn de vergoedingen terecht voor een deel als bovenmatig
aangemerkt. De van de kant van belanghebbende eerst in de bezwaarfase
overgelegde lijst waarop kostencategorieën worden vermeld die zich
zouden hebben voorgedaan, vormt een ontoereikende grondslag voor het
ingenomen standpunt dat belanghebbende aan de op haar rustende
bewijslast heeft voldaan.
Gelet op de voorgaande overwegingen, heeft het bestuursorgaan zich naar
het oordeel van de Raad terecht op het standpunt kunnen stellen dat
sprake was van bovenmatige onkostenvergoedingen, welke tot het
premieloon dienen te worden gerekend. De door het bestuursorgaan
gehanteerde schatting van f 100,-- (€ 45,38) van de verstrekte
vergoedingen welke als bovenmatig zijn aan te merken, acht de Raad, mede
in verband met het achterwege blijven van enig aanwijzing voor het
tegendeel van de zijde van belanghebbende, niet onredelijk.
In aanmerking nemend dat er geen op zichzelf staande grieven zijn
aangevoerd tegen de boetenota's, volgt uit het vorenstaande dat het
hoger beroep van belanghebbende niet slaagt. Het hoger beroep van het
bestuursorgaan slaagt daarentegen wel.
De uitspraak van de rechtbank, voorzover door het bestuursorgaan
aangevochten, dient mitsdien te worden vernietigd. Voor het overige kan
deze uitspraak in stand blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het bestreden
besluit voor wat betreft de opgelegde correctie- en boetenota's inzake
de besluitvorming van het bestuursorgaan inzake de vaste
onkostenvergoeding is vernietigd, het bestuursorgaan is veroordeeld in
de proceskosten van belanghebbende en bepaald is dat het bestuursorgaan
het door belanghebbende gestorte griffierecht dient te vergoeden;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste
lid, 4 tot en met 8 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|