|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/2263 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. R.A. de Wit, advocaat te Amsterdam, op bij
aanvullend beroepschrift van 7 juni 2001 aangevoerde gronden bij de Raad
in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam onder
dagtekening 21 februari 2001 (verzonden op 7 maart 2001) tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 5 juli 2001 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 mei
2003, waar voor appellante is verschenen mr. A.C. Siemons, kantoorgenoot van mr. R.A. de Wit, voornoemd. Gedaagde
heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L.
Niehof, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert een drukkerij waar - onder andere - het dagblad
de Telegraaf wordt gedrukt. [werknemer] heeft in de periode van mei 1994
tot februari 1998 ten behoeve van het verspreiden van bijlagen bij de
zaterdagkrant van de Telegraaf op vrijdagavond tussen 16.30 uur en 21.30
uur een zogenoemde klachtendienst gedraaid. Met betrekking tot de
overige feiten, die voor de beoordeling van het geding van belang zijn,
wordt verwezen naar het in de aangevallen uitspraak gestelde onder de
rubriek "Feiten".
In geschil is het antwoord op de vraag of [werknemer] de hiervoor
vermelde werkzaamheden in een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de
zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringen tot appellante
heeft verricht.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van het door de
privaatrechtelijke dienstbetrekking vereiste element loonbetaling.
Partijen verschillen van mening of ten aanzien van de door [werknemer]
verrichte werkzaamheden sprake is geweest van een gezagsverhouding en
van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting.
Namens appellante is in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat geen
gezagsverhouding tussen appellante en [werknemer] aanwezig was, daar
voor appellante alleen het resultaat, zijnde het adequaat oplossen van
klachten van agentschappen, telde. Daarbij was [werknemer] volgens
appellante geheel vrij zijn werkzaamheden in te delen en naar eigen
inzicht uit te voeren. Directe leiding werd door appellante niet
gegeven. De instructies en richtlijnen met betrekking tot het te behalen
resultaat leveren volgens appellante geen gezagsverhouding op, omdat ook
bij een overeenkomst tot opdracht de opdrachtgever wettelijk bevoegd is
om aanwijzingen te geven. Het hebben van een aanwezigheidsrooster kan
naar het oordeel van appellante, gelet op het arrest van de HR van 8 mei
1998, gepubliceerd in NJ 2000/81, niet tot een gezagsverhouding leiden.
Voorts is namens appellante aangevoerd dat, mede gezien het feit dat de
instructies eenvoudig van aard waren, [werknemer] zich door een
willekeurige derde kon laten vervangen. Daarbij is namens appellante
opgemerkt dat [werknemer] zich ook heeft laten vervangen en de
vervanging zelf heeft geïnstrueerd en betaald. Namens appellante is
niet betwist dat [werknemer] zich in de praktijk maar twee of drie keer
door vaste medewerkers van appellante, die hetzelfde werk deden, heeft
laten vervangen. Dit betekent naar het oordeel van appellante echter
niet dat het hem niet zou zijn toegestaan om zich door een willekeurige
derde te laten vervangen.
Gedaagde is zich in hoger beroep op het standpunt blijven stellen dat
tussen appellante en [werknemer] sprake was van een gezagsverhouding.
Naar het oordeel van gedaagde is van gezagsverhouding sprake, indien
aanwijzingen achteraf of tijdens de werkzaamheden kunnen worden gegeven.
Gedaagde heeft er in dit kader op gewezen dat [werknemer] in het rooster
van appellante was opgenomen.
Van een overeenkomst tot opdracht is volgens gedaagde geen sprake, nu
niet de gehele klachtenbehandeling was overgedragen aan [werknemer].
Wat de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting betreft, heeft
gedaagde opgemerkt dat in het onderhavige geval slechts collegiale
vervanging heeft plaatsgevonden. Gezien het arbeidspatroon van
[werknemer], is vervanging door een willekeurige derde volgens gedaagde
ook moeilijk voorstelbaar. Gedaagde heeft daarbij nog opgemerkt dat
appellante tijdens het onderzoek heeft aangegeven van tevoren wel te
willen weten dat vervanging zou plaatsvinden.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat [werknemer] de werkzaamheden
in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot appellante heeft
verricht. Derhalve heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht
op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten
verzekeringsplicht ten aanzien van de door [werknemer] verrichte
werkzaamheden aangenomen.
Naar het oordeel van de Raad dient op grond van de feiten en
omstandigheden van het onderhavige geval te worden geconcludeerd dat
naast de verplichting tot loonbetaling ook de elementen gezagsverhouding
en verplichting tot persoonlijke dienstverrichting aanwezig zijn.
Met betrekking tot het element gezagsverhouding overweegt de Raad dat
hiervan blijkens zijn vaste jurisprudentie sprake is indien door de -
vermeende - werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven.
In een situatie als de onderhavige, waarin de tevens door het vaste
personeel uitgevoerde werkzaamheden als onderdeel van de bedrijfsvoering
in het werkrooster van de onderneming zijn opgenomen, is de Raad van
oordeel dat het ontbreken van werkgeversgezag ten aanzien van degene die
deze werkzaamheden uitvoert niet aannemelijk is. Daarbij komt nog dat
[werknemer] de werkzaamheden in een vast arbeidspatroon gedurende een
periode van ongeveer vier jaar in samenwerking met vast personeel van
appellante heeft verricht. Naast het feit dat de procedure rondom de
klachtenafhandeling door appellante werd vastgesteld, werd niet
[werknemer] zelf maar appellante door de agentschappen benaderd over het
(dis)functioneren van [werknemer]. Vervolgens werd [werknemer] hierover
door een medewerker van appellante aangesproken. Onder dergelijke feiten
en omstandigheden is de Raad van oordeel dat appellante tijdens het
uitvoeren van de werkzaamheden werkgeversgezag over [werknemer] kon
uitoefenen.
Met betrekking tot het element verplichting tot persoonlijke
dienstverrichting overweegt de Raad dat [werknemer] de werkzaamheden
voor appellante op bijna alle vrijdagavonden persoonlijk heeft verricht.
Hij heeft zich in de periode van ongeveer vier jaar, waarin hij voor
appellante werkzaam was, slechts vijfmaal laten vervangen door twee
werknemers van appellante, die de klachtendienst ook wel eens draaiden.
Derhalve is hier naar het oordeel van de Raad sprake van incidentele
collegiale vervanging. Van vervanging door een willekeurige derde, zoals
van de zijde van appellante is betoogd, is naar het oordeel van de Raad
in een dergelijke situatie geen sprake. Daarbij komt nog dat de
appellante tijdens het onderzoek van gedaagde heeft aangegeven van
tevoren van de vervanging op de hoogte te willen worden gesteld en dat
zij blijkens de verklaring van één van de vervangers ook voor de
betaling van de vervanging heeft zorggedragen. Deze omstandigheden
wijzen naar het oordeel van de Raad niet op de mogelijkheid tot
vervanging door een willekeurige derde. Derhalve is de Raad van oordeel
dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in casu
sprake is van de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B. J. van der Net als voorzitter, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 18 juni 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|