|
Uitspraak
02/5058
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. E. Boerma, advocaat te Arnhem, op bij
aanvullend beroepschrift van 7 november 2002 (met bijlagen) aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda onder
dagtekening 7 augustus 2002 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft onder dagtekening 26 november 2002 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 februari
2003 waar voor appellante is verschenen [naam hoofd personeelszaken],
hoofd personeelszaken, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Boerma,
voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.G.J.
Reurings, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de
volgende feiten en omstandigheden.
Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft
gedaagde appellante bij besluit van 31 augustus 2000 ervan in kennis
gesteld dat ten aanzien van een bestuurder van appellante
verzekeringsplicht voor de sociale werknemersverzekeringswetten aanwezig
wordt geacht. Bij faxbericht van 12 oktober 2000 heeft appellante
bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit. Tevens is het bezwaarschrift op
13 oktober 2000 per aangetekende post en per fax verzonden. Gedaagde
heeft bij brief van 21 november 2000 aan appellante bericht dat het
bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is
ingediend. Ten bewijze dat zij het bezwaarschrift daadwerkelijk op 12
oktober 2000 heeft gefaxt, heeft appellante er op gewezen dat zij voor
het indienen van het pro forma bezwaar contact heeft gehad met de heer
[naam medewerker Uwv] van gedaagdes kantoor te Breda, en dat in overleg
met de heer [naam medewerker Uwv] het pro forma bezwaar op 12 oktober
2000 naar gedaagdes kantoor in Breda is gefaxt. Voorts heeft appellante
gewezen op de verzendbevestiging van de (bewuste) fax, waarop te lezen
is dat op 12 oktober 2000 om 13:05 uur, één pagina is gefaxt naar het
Gak kantoor te Breda, faxnummer 076-5262364, met als resultaat 'ok'.
Gedaagde heeft bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2001 het namens
appellante ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens
overschrijding van de bezwaartermijn. Daarbij heeft gedaagde tevens geen
grond aanwezig geacht om deze overschrijding verschoonbaar te achten.
In beroep heeft de rechtbank het volgende overwogen waarbij appellante
is aangeduid als eiseres en gedaagde als verweerder:
"Partijen worden echter verdeeld gehouden door het antwoord op de
vraag wanneer het bezwaarschrift per fax is verzonden. Eiseres heeft
gesteld dat zij dit geschrift op 12 oktober 2000 heeft verzonden, onder
verwijzing naar een verzendjournaal dat als gedingstuk 17 onderdeel van
het procesdossier vormt. Verweerder is echter van mening dat het
bezwaarschrift eerst op 13 oktober 2000 is verzonden, en heeft daartoe
verwezen naar de datum op het geschrift dat als gedingstuk 10 onderdeel
vormt van het procesdossier.
Bij de beantwoording van de hiervoor geformuleerde rechtsvraag stelt de
rechtbank voorop dat indiening van een bezwaarschrift per fax op
zichzelf een toelaatbaar middel is om bezwaar te maken, maar dat aan
deze handelwijze risico's kleven en dat de eventuele nadelige gevolgen
daarvan voor rekening van de afzender komen. In zoverre zij verwezen
naar gevestigde jurisprudentie terzake, en in het bijzonder naar de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 maart 1994 die is
gepubliceerd in AB 1994, nummer 296.
Wat betreft de verzending van een stuk per telefax merkt de rechtbank op
dat de status 'ok' op een verzendjournaal een indicatie, maar geen
sluitend bewijs, vormt dat het betreffende geschrift door de
geadresseerde in goede orde is ontvangen. In dit verband wordt
gesignaleerd dat het op 12 oktober gedateerde (en door eiseres in het
geding gebrachte) verzendjournaal het faxnummer 076-5262364 vermeldt,
maar dat het op 13 oktober 2000 gedateerde (en door verweerder in het
geding gebrachte) verzendjournaal het faxnummer 076-5262801 vermeldt.
Verder merkt de rechtbank op dat het primaire besluit slechts nummer
076-5262801 vermeldt als faxnummer. Ter zitting heeft eiseres niet
kunnen aangeven waarom zij het bezwaarschrift kennelijk twee keer per
telefax heeft verzonden. Evenmin is duidelijk geworden of nummer
076-5262364 op 12 oktober 2000 wel een faxnummer was, en zo ja, waar
deze fax zich toentertijd bevond. Onder deze omstandigheden bestaat,
naar het oordeel van de rechtbank, gerede twijfel of het 12 oktober 2000
verzonden bezwaarschrift de geadresseerde daadwerkelijk heeft bereikt.
Ook uit het bezwaarschrift zelf blijkt niet dat het op 12 oktober 2000
door verweerder moet zijn ontvangen. Het bezwaarschrift meldt hierover
slechts dat het is opgesteld op 12 oktober 2000 en dat het tevens
middels aangetekend schrijven is verstuurd, terwijl vaststaat dat
laatstbedoelde verzending eerst op 13 oktober 2000 plaatshad."
In hoger beroep is namens appellante herhaald dat het bezwaarschrift van
12 oktober 2000 dezelfde dag per fax is verzonden aan gedaagde. De
omstandigheid dat zij het stuk niet onmiddellijk aan de juiste afdeling
van Gak Nederland BV heeft verzonden, doet aan de tijdige indiening van
het bezwaarschrift niet af. Uit de ontvangstbevestiging van 16 oktober 2000 met de vermelding van het faxnummer waarop het stuk is
binnengekomen in combinatie met het faxrapport van appellante waaruit
een correcte verzending van 12 oktober 2000 blijkt, kan derhalve niet
anders worden geconcludeerd dan dat appellante haar bezwaarschrift
tijdig bij het bevoegde bestuursorgaan heeft ingediend.
In dit geding dient de vraag beantwoord te worden of gedaagde appellante
bij besluit van 26 oktober 2001 terecht en op juiste gronden
niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat appellante niet binnen de
ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde
termijn van zes weken een bezwaarschrift heeft ingediend.
De Raad beantwoordt deze vraag evenals de rechtbank bevestigend.
Volgens jurisprudentie van de Raad is het indienen van een
bezwaarschrift door middel van een faxbericht op zichzelf aan te merken
als een toelaatbare wijze van verzending. De aan deze wijze van
indiening verbonden risico's dienen voor rekening van de verzender te
komen. Dat brengt met zich mee dat, mocht ontvangst aan de andere zijde
ondanks zorgvuldig onderzoek niet bevestigd kunnen worden, het op de weg
van verzender ligt de verzending aannemelijk te maken.
In dit geding wordt de ontvangst van het faxbericht op 12 oktober 2000
door gedaagde ontkend. Het overleggen van een verzendjournaal met de
melding 'ok' is naar het oordeel de Raad in deze onvoldoende om
aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift op 12 oktober 2000 bij
gedaagde is ingediend. Naast hetgeen door de rechtbank is overwogen,
waarmee de Raad zich kan verenigen, ziet de Raad in de brief van
gedaagde van 16 oktober 2000 geen aanleiding om anders te oordelen. Uit
deze brief blijkt immers niet dat de ontvangst bevestigd wordt van een
faxbericht van 12 oktober 2000, doch slechts dat een bezwaarschrift is
ontvangen. Van welke datum dit bezwaarschrift is blijkt niet. Nu ook het
per aangetekende post - onbetwist te laat - ingediende bezwaarschrift
aan de afdeling waar de heer Pijnappels werkzaam is, is gezonden, staat
hiermee onvoldoende vast dat het om een faxbericht van 12 oktober 2000
gaat.
De Raad is ten slotte, met de rechtbank van oordeel, dat appellante met
de gekozen wijze van verzending per fax op de laatste dag van de
bezwaartermijn, het risico heeft genomen dat het bezwaarschrift niet
door gedaagde zou worden ontvangen.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|