|
Uitspraak
00/3535
ALGEM en 03/3362 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam VOF], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. F. van Schaik, advocaat te Berkel en
Rodenrijs, op bij beroepschrift van 6 juli 2000 (met bijlagen)
aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de
rechtbank Assen onder dagtekening 30 mei 2000 tussen partijen gegeven
uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.
Gedaagde heeft op 29 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 november
2002, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Van Schaik,
voornoemd en [naam beherend vennoot], beherend vennoot, terwijl gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.G.J. Reurings, werkzaam bij
het Uwv.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zijner zitting heeft de Raad
besloten de zaak aan te houden en partijen in de gelegenheid te stellen
om tot een schikking te komen.
Bij schrijven van 4 februari 2003 heeft gedaagde een - eveneens op 4
februari 2003 gedateerde - gewijzigde beslissing op bezwaar de Raad doen
toekomen.
Bij brief van 20 februari 2003 heeft gedaagde, onder inzending van het
schikkingsvoorstel alsmede de afwijzingsbrief ten aanzien van dit
voorstel, de Raad verzocht om in de zaak te voorzien.
Bij schrijven van 3 juni 2003 heeft gedaagde een eveneens op 3 juni 2003
gedateerde gewijzigde beslissing op bezwaar de Raad doen toekomen,
waarop namens appellante gereageerd is bij brief van 3 juni 2003.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 5 juni 2003, waar partijen, zoals schriftelijk
aangekondigd, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Blijkens de in rubriek I van deze uitspraak genoemde beslissing op
bezwaar van 3 juni 2003 heeft gedaagde besloten de gewijzigde beslissing
op bezwaar van 4 februari 2003 in te trekken, de overgebleven bezwaren
alsnog gegrond te verklaren en de overgebleven correctie- en boetenota's
volledig kwijt te schelden.
De Raad merkt op dat de administratieve rechter in het kader van de
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) alleen dan tot het beantwoorden
van rechtsvragen is geroepen indien - nog - sprake is van een geschil
met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Van een geschil
over zulk een besluit is in dit geval geen sprake meer.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep alsmede het
beroep tegen het besluit van 4 februari 2003 wegens verlies aan belang
niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de aan de zijde van appellante gevallen
proceskosten, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand in
hoger beroep. Van andere te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.
Gelet op artikel 25, tweede lid van de Beroepswet is de administratieve
rechter bevoegd een veroordeling tot vergoeding van het griffierecht uit
te spreken in andere gevallen dan die waarin de uitspraak van de
rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt. Zoals hierna uit het
dictum zal blijken, acht de Raad in dit geval termen aanwezig om van die
bevoegdheid gebruik te maken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 februari 2003
niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante begroot op €
644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door
appellante gestorte griffierecht ad € 306,30 (f 675,--), vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|