|
Uitspraak
01/2393
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
mrs. [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4], h.o.d.n.
[naam maatschap I], gevestigd te [vestigingsplaats 1], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 10 augustus 2001
aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
rechtbank Groningen onder dagtekening 14 maart 2001 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagden hebben bij schrijven van 4 september 2001 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 mei
2003, waar appellant zich heeft toen vertegenwoordigen door mr. F.L.M.
Schütz, werkzaam bij het Uwv. Gedaagden zijn bij die gelegenheid - met
voorafgaand bericht - niet verschenen.
II. MOTIVERING
[Maatschap I] (hierna: [naam maatschap I]) staat met ingang van 1
januari 1992 als werkgever ingeschreven bij uitvoeringsinstelling Gak
Nederland B.V. (hierna: het GAK). Deze maatschap werd gevormd door
gedaagden én [lid maatschap 1], [lid maatschap 2] en [lid maatschap 3]
van de vestiging [vestigingsplaats 2]. [lid maatschap 1], [lid maatschap
2] en [lid maatschap 3] zijn per 23 juni 1997 uit de maatschap getreden
en [lid maatschap 2] en [lid maatschap 3] hebben een nieuwe maatschap
opgericht, gevestigd in het kantoor [vestigingsplaats 2]. Met ingang van
1 juli 1997 heeft de maatschap [maatschap II] zich als werkgever bij het
GAK aangemeld.
In verband met de over de periode van 1 januari 1997 tot 1 juli 1997
verschuldigde premie ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten
voor het personeel van de vestiging [vestigingsplaats 2] heeft appellant
aan gedaagden een correctienota opgelegd. Voorts heeft appellant ten
aanzien van gedaagden een administratief verzuim geregistreerd in
verband met het niet doen van loonopgaven voor deze personeelsleden.
In bezwaar en beroep hebben gedaagden het standpunt ingenomen dat niet
[naam maatschap I] maar [maatschap II] de onderhavige premie
verschuldigd is. Gedaagden hebben er op gewezen dat [naam maatschap I]
in de loop van 1997 met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 is
gesplitst en dat [maatschap II] derhalve met ingang van 1 januari 1997
als werkgever van het personeel van de vestiging [vestigingsplaats 2]
dient te worden aangemerkt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit op bezwaar
van 15 juli 1999, waarbij appellant het bezwaar van gedaagden ongegrond
heeft verklaard, vernietigd, de primaire besluiten herroepen, appellant
veroordeeld in de proceskosten van gedaagden en bepaald dat appellant
het door gedaagden betaalde griffierecht dient te vergoeden. Bij de
aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het personeel van
[naam maatschap I] van de vestiging [vestigingsplaats 2] in de
onderhavige periode weliswaar verzekeringsplichtig was, maar dat
gedaagden ten onrechte voor de onderhavige premie zijn aangeslagen,
omdat zij in die periode niet als maatschap bestonden.
Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en
heeft in hoger beroep aangevoerd dat de feitelijke afsplitsing van
vestiging [vestigingsplaats 2] per 1 juli 1997 heeft plaatsgevonden.
Appellant heeft gewezen op de brief van 12 november 1997, waarin is
vermeld dat de vestiging [vestigingsplaats 2] van [naam maatschap I] is
verzelfstandigd en dat de overige vestigingen de werkzaamheden onverkort
hebben voortgezet onder de naam [naam maatschap I]. Voorts heeft
appellant opgemerkt dat gedaagden het aansluitnummer van de met ingang
van 1 januari 1992 ingeschreven maatschap [naam maatschap I] hebben
behouden en dat gedaagden het bij de vestiging [vestigingsplaats 2]
werkzame personeel niet met ingang van 1 januari 1997 hebben afgemeld.
Appellant is derhalve van oordeel dat de maatschap van gedaagden een
voortzetting is van [naam maatschap I]. Aangezien het personeel van de
vestiging [vestigingsplaats 2] volgens appellant tot 1 juli 1997 in dienstbetrekking tot [naam maatschap I] stond, zijn
gedaagden naar het oordeel van appellant de onderhavige premie
verschuldigd.
Voorts kan appellant zich niet verenigen met de door de rechtbank
uitgesproken proceskostenveroordeling. Naar oordeel van appellant is in
casu geen sprake van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand.
Gedaagden hebben in hoger beroep het standpunt gehandhaafd dat
[maatschap II] met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 als werkgever
van het personeel van de vestiging [vestigingsplaats 2] dient te worden
aangemerkt. Gedaagden hebben er op gewezen dat [naam maatschap I] met
terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 is gesplitst en dat het
personeel van de vestiging [vestigingsplaats 2] met ingang van 1 juli
1997 door [maatschap II] is uitbetaald.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Met appellant is de Raad van oordeel dat de maatschap van gedaagden een
voorzetting is van [naam maatschap I] en dat deze maatschap als
rechtsopvolger van [naam maatschap I] dient te worden aangemerkt.
Daartoe overweegt de Raad dat gedaagden onder de naam [naam maatschap I]
de onderneming hebben voortgezet. Voorts hebben gedaagden zich niet als
nieuwe werkgever bij appellant aangemeld noch hebben gedaagden het
personeel van de vestiging [vestigingsplaats 2] bij appellant afgemeld.
Nu het personeel van de vestiging [vestigingsplaats 2] tot 1 juli 1997
door [naam maatschap I] is uitbetaald, heeft appellant de onderhavige
premienota naar het oordeel van de Raad terecht aan gedaagden opgelegd.
Het vorenstaande brengt mee dat appellant terecht een eerste
administratief verzuim heeft geregistreerd terzake van het premiejaar
1997.
Vorenstaande overwegingen leiden er reeds toe dat het hoger beroep
slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking
komt.
Nu de aangevallen uitspraak reeds op grond van vorenstaande overwegingen
voor vernietiging in aanmerking komt, behoeft de grief van appellant met
betrekking tot de door de rechtbank uitgesproken
proceskostenveroordeling naar het oordeel van de Raad geen bespreking
meer.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|