|
Uitspraak
01/3148
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 25 juli 2001
aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
rechtbank Rotterdam onder dagtekening van 20 april 2001 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft M.E. Slot, belastingsadviseur bij Loyens &
Loeff te Rotterdam, bij schrijven van 22 augustus 2001 van verweer
gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 november
2003, waar voor appellant is verschenen mr. F. Gerritsma, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door ir. B.J. Sybesma, statutair directeur van
gedaagde, bijgestaan door N.A. van Dijk, eveneens werkzaam bij Loyens
& Loeff te Rotterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij de beoordeling van dit geding uit van de feiten en
omstandigheden zoals die in de aangevallen uitspraak van de rechtbank
zijn weergegeven.
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de statutaire
directeuren van gedaagde [betrokkenen] (hierna: betrokkenen) over de
premiejaren 1994 tot en met 1996 in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking werkzaam zijn geweest. Voorts houdt hen verdeeld het
antwoord op de vraag of appellant terecht over de jaren 1995 en 1996
administratieve boetes heeft opgelegd, bepaald op 25% van de ambtshalve
vastgestelde premie.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank die vragen in
ontkennende zin beantwoord.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat sprake was van een
gezagsverhouding tussen gedaagde enerzijds en betrokkenen anderzijds.
Ter ondersteuning van dit standpunt is gewezen op de ongelijke mate van
participatie van betrokkenen in het aandelenkapitaal van gedaagde in de
desbetreffende jaren, waarin geen van hen een meerderheidsbelang
bezat. In verband hiermede dienden betrokkenen zich bij de uitoefening
van hun functie te richten naar de aanwijzingen en besluiten van de
algemene vergadering van aandeelhouders, aangezien zij daarin geen
doorslaggevende stem hadden.
Gedaagde heeft zich in hoger beroep verweerd met het standpunt dat,
gelet op de tussen gedaagde en de statutaire directeuren van gedaagde
gesloten samenwerkingsovereenkomst en in het bijzonder artikel 2, vierde
en vijfde lid hiervan, iedere directeur, ongeacht zijn aandelenbezit,
een geheel gelijkwaardige stem uitbrengt bij de besluitvorming in de
vergadering van het directieteam en derhalve geen sprake was van een
gezagsverhouding tussen gedaagde enerzijds en betrokkenen anderzijds. In
dit verband heeft gedaagde zich voorts beroepen op de uitspraak van de
Raad van 25 mei 2000, gepubliceerd in USZ onder nummer 2000/199, waarin
de Raad heeft geoordeeld dat de tussen partijen in dat geval gesloten
stemovereenkomst met zich bracht dat in geval van onenigheid tussen
partijen het (bindende) advies van een drietal arbiters diende te worden
ingewonnen, waardoor van rechtstreekse gezagsuitoefening door de
algemene vergadering van aandeelhouders geen sprake kon zijn. Onder
verwijzing naar artikel 7, tweede lid, van de tussen gedaagde en
betrokkenen gesloten samenwerkingsovereenkomst, inhoudende dat alle
geschillen die niet in der minne kunnen worden opgelost, beslecht zullen
worden door de bevoegde rechter te Rotterdam, meent gedaagde dat zijn
situatie hiermee vergelijkbaar is.
De Raad overweegt als volgt.
Indien - zoals in het onderhavige geval - een directeur van een besloten
vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de
eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene
aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de
benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van
directeuren, moet volgens vaste jurisprudentie van de Raad in beginsel
worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de
besloten vennootschap.
Er kan evenwel sprake zijn van bijzondere feiten of omstandigheden op
grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke
gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur die
geen doorslaggevende stem heeft in de algemene
aandeelhoudersvergadering. De Raad is van oordeel dat zich in het
onderhavige geval een dergelijke uitzonderingssituatie niet voordoet.
Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de
samenwerkingsovereenkomst waarop gedaagde zich beroept, er niet aan in
de weg staat dat betrokkenen tegen hun wil konden worden geschorst dan
wel ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders. Anders
dan gedaagde ziet de Raad in artikel 2, vierde en vijfde lid, van de
samenwerkingsovereenkomst die betrokkenen als directievoerende
architecten in dienst van gedaagde, hebben gesloten, niet de garantie
dat betrokkenen geen gebruik zullen maken van hun statutaire positie als
aandeelhouder. Hetgeen betrokkenen hebben afgesproken, betreft naar het
oordeel van de Raad niet meer dan een directiestatuut.
De Raad oordeelt voorts dat gedaagdes beroep op voornoemde uitspraak van
de Raad van 25 mei 2000 faalt, reeds omdat in het onderhavige geval -
anders dan in de genoemde uitspraak - louter sprake is van een
forumkeuze.
Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat betrokkenen in de
premiejaren 1994 tot en met 1996 in privaatrechtelijke dienstbetrekking
stonden tot gedaagde. Gedaagde was derhalve gehouden over de aan hen
betaalde vergoeding premies af te dragen.
Uit vorenstaande overwegingen volgt dat gedaagde niet heeft voldaan aan
de op hem ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) rustende verplichting. Ingevolge artikel 12
van de CSV dient appellant, indien de werkgever niet, niet juist of niet
volledig aan deze verplichting heeft voldaan ambtshalve de verschuldigde
premie vast te stellen en deze te verhogen met een boete.
Aan de oplegging van de boete ligt het standpunt van appellant ten
grondslag dat het niet juist of niet volledig voldoen aan de in artikel
10 van de CSV bedoelde verplichting tot het doen van loonopgave, in het
onderhavige geval het gevolg is van opzet en/of grove schuld. Aangezien
het een eerste verzuim betrof, is de boete overeenkomstig het bepaalde
in het Besluit Administratieve Boeten Coördinatiewet (ABC-besluit),
zoals nadien gewijzigd, juncto het Besluit toepassing administratieve
boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering, gematigd tot 25%.
Met betrekking tot de boetes is namens gedaagde de stelling betrokken
dat hij een bestendige gedragslijn heeft gevoerd, zodat geen sprake is
van opzet en/of grove schuld.
Met appellant is de Raad van oordeel dat zulks wel het geval is en
overweegt daartoe dat een werkgever zich er in het algemeen bewust van
zal moeten zijn welke loonopgaven hij moet doen. In geval van twijfel
ligt bij hem de verantwoordelijkheid ter zake informatie in te winnen
bij appellant. Gedaagde heeft zulks niet gedaan. Gelet op deze
omstandigheid heeft appellant terecht opzet en/of grove schuld
aangenomen.
De Raad is voorts van oordeel dat de opgelegde boete, gelet op de
kwalificatie van het verzuim, op de omstandigheid dat het een eerste
verzuim betrof en op het bepaalde in artikel 5 van het ABC-besluit,
terecht is vastgesteld op 25%.
Vorenstaande overwegingen leiden ertoe dat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt en dat het inleidend beroep alsnog
ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.
|
|