|
Uitspraak
02/4339
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[stichting], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. S.C. de Lange, advocaat te Hoofddorp, op bij
aanvullend beroepschrift van 30 augustus 2002 aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening 2
juli 2002, reg.nr. 01/442, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2004 waar
appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. De Lange, voornoemd, en
waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
In geschil is het antwoord op de vraag of [betrokkene] (verder te
noemen: [betrokkene]) met ingang van 1 juli 1995 werkzaamheden in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht ten behoeve van
appellante.
Appellante is een stichting die een tweetal verzorgingshuizen en een
verpleeghuis op Texel exploiteert. Appellante heeft gedaagde verzocht
een onderzoek in te stellen naar de verzekeringsplicht van de vrij
gevestigde logopediste [betrokkene]. Naar aanleiding van een door
appellante ingevulde vragenlijst heeft gedaagde geconcludeerd dat
[betrokkene] per datum indiensttreding als verzekeringsplichtig wordt
beschouwd op grond van artikel 3 van de sociale verzekeringswetten,
hetgeen in het primaire besluit van 19 september 2000 is neergelegd. In
het besluit op bezwaar van 15 februari 2001 is voormeld standpunt
gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de
arbeidsverhouding tussen [betrokkene] en appellante als een
privaatrechtelijke dienstbetrekking valt te kwalificeren, zodat
[betrokkene] terecht wordt aangemerkt als verplicht verzekerd uit hoofde
van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.
Appellante heeft in hoger beroep onder andere doen betogen dat een
privaatrechtelijke dienstbetrekking uitsluitend gebaseerd is op de
overeenkomst tussen partijen zodat van belang is wat partijen gewild
hebben bij het sluiten van de overeenkomst. [betrokkene] wenste haar
zelfstandigheid te behouden en wilde geen dienstverband aangaan. Voorts
heeft appellante betoogd dat partijen niet zijn overeengekomen dat
[betrokkene] gedurende “zekere tijd” arbeid verricht, hetgeen
betekent dat geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Tevens heeft
appellante gesteld dat het multidisciplinair overleg, waaraan
[betrokkene] deelnam, betrekking had op medische aspecten.
Naar het oordeel van de Raad dient op grond van de feiten en
omstandigheden van het onderhavige geval te worden geconcludeerd dat de
drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking,
te weten een gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke
dienstverrichting en de verplichting tot loonbetaling aanwezig zijn.
Met betrekking tot de gezagsverhouding overweegt de Raad dat hiervan
blijkens zijn jurisprudentie sprake is, indien door de werkgever
aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven. Naar het oordeel van
de Raad was het werk van [betrokkene], mede in de vorm van
multidisciplinair overleg zodanig ingebed in de organisatie van
appellante, dat ervan kan worden uitgegaan dat appellante haar
opdrachten en aanwijzingen kan geven. Voorts wijst de Raad er op dat
[betrokkene] haar patiënten krijgt toegewezen door de verpleeghuisarts
en dat ook de voortzetting en de beëindiging van de behandelingen
geschiedt op basis van een besluit van de verpleeghuisarts. In verband
met het voorafgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat de
behandelingen plaatsvinden in een dermate gestructureerd kader dat niet
kan worden staande gehouden dat [betrokkene] volledige vrijheid van
handelen had.
Met betrekking tot de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting
overweegt de Raad dat [betrokkene] de werkzaamheden steeds persoonlijk
heeft verricht en zich nooit heeft laten vervangen, zodat volgens
jurisprudentie in beginsel mag worden uitgegaan van een verplichting tot
persoonlijke dienstverrichting. Dat zij zich na overleg met appellante
onder omstandigheden door een andere logopedist(e) kan laten vervangen
doet aan die verplichting niet af.
Met betrekking tot de verplichting tot loonbetaling is de Raad van
oordeel dat voldaan is aan dit vereiste, aangezien [betrokkene]
declareerde aan appellante waardoor sprake is van een vergoeding voor
verrichte werkzaamheden.
Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat [betrokkene] de
werkzaamheden in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht.
Derhalve heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht op grond
van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringen verzekeringsplicht
ten aanzien van de door [betrokkene] verrichte werkzaamheden aangenomen.
Met betrekking tot de stelling van appellante dat geen
arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen omdat niet zou zijn afgesproken
dat [betrokkene] gedurende zekere tijd arbeid zou verrichten, overweegt
de Raad dat de omstandigheid dat [betrokkene], zoals was overeengekomen,
gedurende de daarvoor bestemde tijd op aanwijzing van appellante patiënten
heeft behandeld, voldoende steun biedt aan de opvatting dat
[betrokkene], mede gelet op het vorenoverwogene, dat werk heeft verricht
in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, als voorzitter en mr. H.C.
Cusell en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7
oktober 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|