|
Uitspraak
03/526
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. M.L. Kawka, werkzaam bij BDO Accountants
& Adviseurs te Naaldwijk, op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 20 december 2002, reg.nr. 02/193 CSV, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 27 augustus 2004, waar voor
appellante is verschenen mr. Kawka, voornoemd, en mr. Th. Van Blaricum,
die tevens werkzaam is bij BDO Accountants & Adviseurs te Naaldwijk,
en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.I. van
Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante is een bedrijf dat zich toelegt op agentuur en
commissiehandel in hout, papier, cellulose en woodchips.
De aandelen van appellante waren voor 100% in handen van [de besloten
vennootschap]. Bij overeenkomst van 23 december 1994 - ondertekend op 6
januari 1996 - heeft [besloten vennootschap] zich jegens de Participatie
B.V.’s [naam participatie B.V. 1], [naam participatie B.V. 2], [naam
participatie B.V. 3] en [naam participatie B.V. 4] verplicht te zullen
verkopen en te leveren 80% van de aandelen van appellante. De aankoop
van de aandelen zou over een periode van 1 januari 1995 tot en met 1
januari 2000 gefaseerd plaatsvinden, namelijk in porties van 4 maal 5%
van het aandelenpakket. De levering van de aandelen heeft uiteindelijk
plaatsgevonden bij notariële aktes van 4 december 1997, 22 januari 1999
en 9 maart 2000. Bij de laatste levering zijn alle aandelen waaronder
ook de prioriteitsaandelen gelijkelijk over de vijf B.V.’s verdeeld.
De vier participatie B.V.’s, die aandelen geleverd hebben gekregen,
zijn persoonlijke vennootschappen van [betrokkene 1], [betrokkene 2],
[betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Deze personen (hierna: betrokkenen)
waren eerst als werknemer in dienst van appellante, waarna zij medio
1995 middellijk statutair directeur zijn geworden met ieder een eigen
divisie.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat gedurende de periode van 1
januari 1996 tot en met 31 december 1999 sprake is geweest van
privaatrechtelijke dienstbetrekkingen tussen betrokkenen en appellante,
en dat betrokkenen derhalve verplicht verzekerd zijn ingevolge artikel 3
van de diverse werknemersverzekeringswetten. Gedaagde heeft derhalve bij
besluiten van respectievelijk 25 juli 2001 en 6 augustus 2001 over die
jaren correctienota’s en boetenota’s opgelegd, die bij besluit op
bezwaar van 4 december 2001 zijn gehandhaafd.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 december 2001 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft deze uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden,
waarbij zij zich op het standpunt heeft gesteld dat met name één van
de wezenskenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten
de gezagsverhouding, ontbreekt.
De Raad overweegt dat in situaties als de onderhavige voor het bestaan
van een gezagsverhouding van betekenis is of en in hoeverre een
directeur kan worden geschorst en ontslagen door de algemene vergadering
van aandeelhouders (hierna: AVA). Indien deze mogelijkheid zich voordoet
moet - behoudens zeer bijzondere gevallen - worden aangenomen dat de
directeur kan worden geconfronteerd met enige vorm van
gezagsuitoefening, in het bijzonder in situaties van conflicterende
belangen en/of verschillen van inzicht.
Tussen partijen is niet meer in geschil dat betrokkenen in verband met
hun minderheidsbelang in de AVA konden worden geconfronteerd met
gezagsuitoefening in de vorm van schorsing dan wel ontslag. Daarbij
merkt de Raad overigens nog op dat betrokkenen eerst vanaf 4 december
1997 (de datum van de eerste akte van levering) een minderheidsbelang
hebben verkregen. Het voorgaande leidt ertoe dat in beginsel dient te
worden aangenomen dat betrokkenen in een gezagsverhouding tot appellante
werkzaam waren.
De Raad dient vervolgens te beoordelen of in het onderhavige geval
sprake is van als zeer bijzonder te kwalificeren feiten en
omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is
te achten dat gezagsuitoefening kon plaatsvinden. Van dergelijke feiten
en omstandigheden is de Raad niet gebleken.
De stelling van appellante dat tussen betrokkenen en De besloten
vennootschap altijd sprake zou zijn geweest van gezamenlijk
ondernemerschap, kan de Raad - reeds gelet op de aandelenverhouding
binnen de AVA - niet volgen. De omstandigheid dat alle betrokkenen
geheel zelfstandig binnen hun eigen divisie werkzaam waren, geeft de
Raad geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen.
Het is voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding niet zozeer
van belang of aanwijzingen worden gegeven, maar of de mogelijkheid
daartoe bestaat. Daarbij acht de Raad het van belang te vermelden dat De
besloten vennootschap tot 9 maart 2000 middellijk in het bezit was van
de prioriteitsaandelen, hetgeen volgens artikel 11, tweede lid, van de
statuten, betekende dat besluiten van de directie ter goedkeuring aan
hem diende te worden voorgelegd. Daaruit kan worden opgemaakt dat het
voor De besloten vennootschap mogelijk was om aanwijzingen te geven.
Ook de omstandigheid dat de aandelen van appellante in 2000 gelijkelijk
over betrokkenen zijn verdeeld, hetgeen vanaf het begin het doel van
betrokkenen is geweest, is onvoldoende om (voordien) een gezamenlijk
ondernemerschap aan te nemen. Daarbij heeft de Raad mede acht geslagen
op de (lange) periode waarbinnen de overdracht van aandelen heeft
plaatsgevonden.
Van de zijde van appellante is voorts aangevoerd dat gezagsuitoefening
denkbeeldig is, nu er een verplichting gold om de aandelen aan
betrokkenen over te dragen, welke verplichting niet kon worden
teruggedraaid. Een schorsing of ontslag zou het ongewenste gevolg hebben
dat aandelen van appellante in handen zijn van iemand die niet tevens
bij haar werkzaam is. Deze grief slaagt niet, reeds omdat in artikel 6,
eerste lid, van de overeenkomst van koop en verkoop van 23 december 1994
- kort samengevat - is vermeld dat de aandelen bij de opzegging van de
managementovereenkomsten ter verkoop aan appellante moeten worden
aangeboden. Daarbij merkt de Raad op dat deze bepaling niet de eis stelt
dat hier sprake moet zijn van op schrift gestelde
managementovereenkomsten. De afwezigheid van zulke contracten doet
derhalve niets af aan de werking van voornoemd artikellid.
Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde terecht appellante als werkgever
heeft aangemerkt en hij terecht over de hier in geding zijnde periode
correctienota’s heeft opgelegd.
Ten aanzien van de boetenota’s is de Raad van oordeel dat met
betrekking tot de verzekeringsplicht van betrokkenen sprake is van opzet
dan wel grove schuld.
Daarbij merkt de Raad op dat bij de werkgever de verantwoordelijkheid
ligt om zich er van te vergewissen of van door hem in verband met arbeid
verstrekte vergoedingen loonopgave moet worden gedaan. Daarbij is niet
voldoende dat appellante informatie heeft ingewonnen bij een deskundige.
Appellante had informatie moeten inwinnen bij gedaagde, hetgeen zij niet
heeft gedaan. Gelet op deze omstandigheid heeft gedaagde terecht opzet
en/of grove schuld aangenomen. De uitspraak van de Raad van 4 maart
1999, gepubliceerd in RSV 1999/229, waarnaar appellante heeft verwezen
betreft een niet met appellante vergelijkbare situatie, zodat het beroep
op deze uitspraak niet slaagt.
De Raad volgt voorts het oordeel van de rechtbank dat het beroep op het
vertrouwensbeginsel niet slaagt, en onderschrijft de overwegingen waarop
dit oordeel is gebaseerd.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het besluit van
4 december 2001 in rechte stand kan houden, zodat beslist moet worden
als hieronder vermeld.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M. Renden.
|
|