|
Uitspraak
02/5992
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat te Amsterdam, op in een
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
de door de rechtbank Amsterdam op 21 oktober 2002, reg.nr. 01/1022,
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 september 2004, waar
appellant - zoals tevoren bericht - niet is verschenen, en gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant, die de Turkse nationaliteit bezit, is sinds 2 oktober 2000
werkzaam bij Aannemingsbedrijf Cornelissen B.V. te Rosmalen. Gedaagde
heeft op 1 november 2000 besloten om voor appellant met ingang van 2
oktober 2000 geen verzekeringsplicht ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten aan te nemen wegens het ontbreken van een
rechtmatig verblijf in Nederland dan wel het niet in overeenstemming met
de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) verrichten van arbeid in
dienstbetrekking.
Bij besluit van 5 februari 2001 heeft gedaagde het door appellant tegen
het besluit van 1 november 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat namens
appellant is ingesteld tegen het besluit van 5 februari 2001 ongegrond
verklaard. Zij was van oordeel dat niet in geschil is dat appellant op
grond van de Nederlandse rechtsregels op de datum in geding, te weten 2
oktober 2000, niet verzekerd was ingevolge de werknemersverzekeringen,
aangezien hij niet kon worden aangemerkt als een vreemdeling die in
Nederland rechtmatig verblijf hield in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) en evenmin
in overeenstemming met de Wav arbeid in dienstbetrekking verrichte. De
rechtbank was onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 26
juni 2001 van oordeel dat het beroep op strijdigheid met de in artikel 8
van het Europees Verdrag inzake Sociale Zekerheid (EVSZ) en artikel 26
van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
(IVBPR) neergelegde non-discriminatiebepalingen faalt.
In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.
De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Ziektewet (ZW), de
Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt sedert de inwerkingtreding op 1 juli 1998
van de zogeheten Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203)
niet als werknemer in de zin van deze wetten beschouwd de vreemdeling
die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel
1b, aanhef en onder 1, van de Vw. In artikel 2 van de Ziekenfondswet (Zfw)
is bepaald dat vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf
genieten in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw niet
verzekerd zijn ingevolge de Zfw. In artikel 3 van de ZW, WW, WAO en Zfw
is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken
van artikel 3, derde lid, van de ZW, WW en WAO en van artikel 2 van de
Zfw ten aanzien van, voorzover hier van belang, vreemdelingen die
rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht. In
het onder meer op deze bepaling gebaseerde Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990, zoals dat
besluit ten tijde in geding luidde is in artikel 4c bepaald dat als
werknemer in de zin van de werknemersverzekeringswetten wordt beschouwd
de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 2, 3, 4, of 5 van de Vw, indien hij in
overeenstemming met de Wav arbeid in dienstbetrekking verricht.
Uit de ter zake beschikbare gegevens leidt de Raad af dat appellant op
25 november 1999 een verzoek om een vergunning tot verblijf heeft
ingediend en dat appellant is toegestaan de behandeling van voormeld
verzoek in Nederland af te wachten. Uit de stukken blijkt voorts dat
appellant op de datum in geding niet in overeenstemming met de Wav
arbeid in dienstbetrekking heeft verricht.
Gezien het voorgaande was appellant ten tijde van de inwerkingtreding
van de koppelingswetgeving op 1 juli 1998 en op 2 oktober 2000 geen vreemdeling als bedoeld in artikel 1b, aanhef en
onder 1, van de Vw. Daargelaten of hij op 2 oktober 2000 kon worden
aangemerkt als een vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf
hield in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 2, 3, 4, of 5, van de Vw,
kon hij op grond van artikel 4c van het Besluit niet als werknemer
worden aangemerkt, aangezien zijn werkgever voor hem niet beschikte over
een tewerkstellingsvergunning. Dit betekent dat voor appellant op 2 oktober 2000 geen verzekeringsplicht gold.
De Raad dient voorts te beoordelen of het besluit van 5 februari 2001
als strijdig met de in artikel 26 van het IVBPR en artikel 8 van het EVSZ neergelegde non-discriminatiebepalingen moet
worden beschouwd.
De Raad verwijst in dit verband allereerst naar zijn uitspraken van 26
juni 2001, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/186 en AB 01, 276. In die
uitspraken heeft de Raad bij de toetsing aan artikel 26 van het IVBPR
onder meer tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt van die wet in
het algemeen niet op bedenkingen stuit en in ieder geval ten volle
opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om
toelating verzoekt en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen
genoemd in artikel 1b, derde lid, van de Vw. Een uitzondering is gemaakt
voor onder meer degenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling
op reguliere wijze hun verzekeringspositie hebben verworven en behoren
tot de groep vreemdelingen als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3,
van de Vw.
De Raad stelt vast dat in het geval van appellant op 1 juli 1998 nog
geen sprake was van toepassing van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de
Vw, aangezien appellant op die datum niet in afwachting was van een
beslissing op een verzoek tot toelating. Van het op reguliere wijze
opbouwen van een rechtspositie kan in het geval van appellant ook niet
worden gesproken, aangezien niet is komen vast te staan dat hij voor of
op 1 juli 1998 verzekerd was op grond van de sociale
werknemersverzekeringswetten.
Het vorenstaande betekent dat gezien de feitelijke en juridische positie
waarin appellant ten tijde van het inwerking treden van de
koppelingswetgeving verkeerde de gerechtvaardigdheid van het onderscheid
naar nationaliteit in die wetgeving zoals neergelegd in de sociale
werknemersverzekeringswetten ten volle voor appellant opgaat. De
conclusie is dan ook dat het niet aannemen van een verzekeringsplicht
per 2 oktober 2000 niet als strijdig met artikel 26 IVBPR is te
beschouwen. Naar het oordeel van de Raad vloeit uit het voorgaande
tevens voort dat het in het besluit van 5 februari 2001 gemaakte
onderscheid naar nationaliteit niet als strijdig met de in artikel 8 van
het EVSZ vervatte non-discriminatiebepalingen kan worden aangemerkt.
Gezien het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden
bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken
in het openbaar op 11 november 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) L.M. Reijnierse.
|
|