|
Uitspraak
03/808
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. W.H. van Aalst, advocaat te Nijmegen, hoger
beroep ingesteld op de bij een aanvullend beroepschrift van 26 maart
2003 aangevoerde gronden tegen een door de rechtbank Breda op 10 januari
2003, nr. 01/1934 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een op 4 april 2003 gedateerd verweerschrift bij de Raad
ingezonden.
Bij brief van 26 juni 2003 is van de zijde van appellante nadere
informatie verstrekt, waaronder een verklaring van [betrokkene] van 7
mei 2003.
Gedaagde heeft ter zake een op 25 juli 2003 gedagtekende reactie aan de
Raad doen toekomen.
Vanwege appellante zijn bij brieven van 10 en 13 september 2004 nog
nadere gegevens verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23
september 2004, waar namens appellante is verschenen haar directeur
[naam directeur], bijgestaan door raadsman mr. W.H. van Aalst. Gedaagde
heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. F.
Verhaart, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In de jaren 1995, 1996, 1997 en 1999 heeft appellante, naar een
looncontrole in maart 2000 uitwees, regelmatig gebruik gemaakt van de
persoonlijke diensten van [betrokkene] voor specialistisch montagewerk
of storingsdiensten op allerhande projecten van kortere of langere duur
om een tijdelijk tekort aan eigen elektrotechnische monteurs op te
vangen. Hij heeft voor appellante alsdan een aantal dagen, weken of
maanden achtereen gewerkt naar gelang hieraan behoefte bestond. Op een
kleiner deel van de projecten werkte [betrokkene] samen met de
werknemers van appellante, op een groter deel van de projecten werkte
hij alleen. Hij beschikte niet over een Energiened-vergunning als
erkend installateur, maar dat zou voor zijn werk als regel ook niet
nodig zijn geweest. Hij reed of wel alleen naar de projecten dan wel
ging hij met de werknemers van appellante mee in een bedrijfsauto. Hij
werkte op uurbasis tegen een tarief dat varieerde van f 43,-- tot f
50,-- en diende evenals de eigen werknemers van appellante achteraf
montage - urenbriefjes in te leveren. Opdrachten liepen via appellante,
controle ter plekke geschiedde door [naam directeur] dan wel de
bedrijfsleider.
Een en ander heeft tot premiecorrecties over opgemelde jaren geleid op
basis dat [betrokkene] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking,
inzonderheid in een tot verzekeringsplicht op basis van artikel 3 van de
Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering leidende gezagsrelatie tot appellante
is werkzaam geweest. Daarbij is nadrukkelijk de arbeid welke
[betrokkene] in onderaanneming voor appellante heeft verricht, door
gedaagde niet in de corrigerende opstelling bij de looncontrole
respectievelijk de daarop aansluitende besluitvorming van gedaagde
verwerkt.
De bezwaren te dien aanzien zijn bij het bestreden besluit van 24
september 2001 door gedaagde ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellante is in hoger beroep inzonderheid het bestaan van een
gezagsrelatie tussen appellante en [betrokkene] in de jaren in geding
blijven bestrijden. [betrokkene] was immers zelf verantwoordelijk voor
zijn bedrijfsvoering en de kwaliteit van de door hem geleverde productie.
Laatstgenoemde was vrij geen werk voor appellante uit te voeren en
maakte zelf werkafspraken met de opdrachtgevers van appellante, waarbij
hij grotendeels beduidend ander en specialistischer werk deed dan de
werknemers van appellante, hoewel hij ook wel soortgelijk werk deed.
[betrokkene] zou geen werk hebben gedaan, waarvoor een vergunning als
erkend installateur en controle nodig was, en was een van de
ondernemingen die door appellante voor specialistische verrichtingen
werd ingeschakeld.
Gedaagde heeft er in verweer op gewezen dat een draai aan de feiten
wordt gegeven, welke niet strookt met de bevindingen van de looncontrole
in maart 2000. Daarbij wordt benadrukt dat [betrokkene] volgens de
geregistreerde omschrijving van het werk van zijn eenmanszaak in extra
mankracht voor bedrijven voorzag ter reparatie en montage van
elektronische installaties onder latere verklaring dat zulks aansloot
bij het werkelijk uitgevoerde werk. Telkens wanneer [betrokkene] werd
opgeroepen om zijn diensten te leveren en hieraan gehoor gaf was er
sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Betrokkene was geen
erkend installateur, waardoor tevens controle nodig was. Toezicht zou
ook overigens hebben - kunnen - bestaan, ofschoon dat gezien de
specialistische vakkennis inhoudelijk niet als regel nodig was. [naam
directeur] zou zulks bij de looncontrole ook hebben verklaard.
De Raad overweegt ten aanzien van het geschil in geding tussen partijen
het volgende.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft hij niet
anders kunnen concluderen dan dat er voldoende duidelijke en concrete
aanknopingspunten zijn om in het voorliggende geval een gezagsverhouding
tussen appellante en [betrokkene] in de jaren 1995,1996,1997 en 1999
aanwezig te achten.
De Raad stelt hierbij voorop dat hij bijzondere betekenis hecht aan de
in essentie ook niet te zijner zitting bestreden feitelijke mededelingen
van de directie over de arbeidsrelatie tussen appellante en [betrokkene]
ten tijde van de looncontrole in het voorjaar van 2000, waarbij diens
arbeid naar aard, omvang en condities zich niet zo wezenlijk
onderscheidde van de arbeid van de werknemers van appellante met
gelijksoortig werk dat hiertussen een reëel onderscheid voor het al dan
niet bestaan van een gezagsrelatie tot appellante zou behoren te worden
aangebracht.
[betrokkene] heeft zich ook algemeen beschikbaar gesteld als extra
mankracht voor reparatie- en montagewerk aan elektrotechnische
installaties en heeft in de praktijk ook allerhande regulier montage- en
reparatiewerk tegen uurtarief gedaan en tevens storingsdiensten
gedraaid, waarbij hij in een notoir gelijkwaardige positie als de
overige werknemers - monteurs van appellante kwam te verkeren, met dien
verstande dat hij voor een relevant deel van de werkzaamheden zelfs
gezamenlijk met hen optrok zowel met het vervoer als op de werkplek met
dezelfde werktijden. Niet goed denkbaar is dat [betrokkene], die aldus
naar inschakeling en uitvoering van werk structureel in het
organisatorisch verband van appellante opging, niet aan dezelfde
instructies, aanwijzingen en (eind)controle door [naam directeur] dan
wel de bedrijfsleider onderhevig is geweest zoals zulks voor de overige
werknemers van appellante gold.
Voor wat het specialistische montagewerk betreft dat [betrokkene] alleen
op locatie eveneens tegen uurtarief heeft gedaan, doch niet in
onderaanneming, behoorde dit eveneens tot het wezen van de
bedrijfsvoering van appellante, waarbij de opdrachten immer van
appellante uitgingen en harerzijds via de bedrijfsleiding ook de
mogelijkheid bestond in organisatorische zin toezicht en controle uit te
oefenen. Van belang hierbij is ook dat het over een ruim aantal jaren
genomen projecten gold waarbij weken of maanden lang aaneengesloten door
[betrokkene] voor appellante op onderscheidene locaties is gewerkt,
zodat het ontstaan van een gebruikelijke arbeidsverhouding gelijk aan de
vaste werknemers, naar tevens uit het inleveren van de montage -
urenbriefjes blijkt, alleszins naar voren komt. De aard van het werk kon
hierbij op afroep door appellante voor [betrokkene] stelselmatig naar
duur en inhoud sterk wisselen, waarbij telkens opnieuw bij het gevolg
geven aan enige projectopdracht een arbeidsovereenkomst met een
gezagsrelatie ontstond. De aard van zijn werk is hierbij ook aan de
nodige beperkingen onderhevig geweest, aangezien hij niet beschikte over
een eigen vestigingsvergunning en een Energiened -vergunning, waardoor
hij niet als erkend installateur kon optreden, onverlet dat zijn eigen
werk hiertoe ook niet zou hebben genoopt. Dat controle en toezicht
daarbij niet ten aanzien van [betrokkene] eigen specialistisch afgepaald
werk zouden hebben bestaan anders dan voor de overige werknemers wel het
geval was, acht de Raad volstrekt onaannemelijk. Daaraan doet niet af
dat onder omstandigheden praktische werkafspraken tussen [betrokkene]
zelf en de opdrachtgevers van appellante onderling zullen zijn gemaakt
en afgewikkeld, waarbij hij ook gebleken klachten na het uitvoeren van
de werkzaamheden zelf heeft kunnen verhelpen. Herstelwerk op basis van
revisietekeningen liep echter kennelijk wel via - de tekenkamer van -
appellante. De eindverantwoordelijkheid voor de kwantitatieve productie
en de kwalitatieve resultaten van de betrokken verrichtingen bleef dan
ook bij appellante berusten. Voor de aanvaardbaarheid van de
besluitvorming van gedaagde te dezen spreekt tenslotte, dat hetgeen
[betrokkene] kenbaar in onderaanneming heeft verricht, door de
looninspecteur en gedaagde hier nadrukkelijk terecht en op goede gronden
buiten beschouwing is gebleven.
De Raad onderschrijft mitsdien, alles overziende, naar strekking hetgeen
de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan weloverwogen gemotiveerd
standpunt, in overeenstemming met het bestreden besluit van gedaagde,
heeft ingenomen. Daarbij is terecht tot de slotsom gekomen dat er in het
geval van [betrokkene] sprake is geweest van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten, nu te dezen eveneens de verplichte
persoonlijke arbeidsverrichting en een loon op uurbasis naar het oordeel
van de Raad onomstotelijk vaststaan.
Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak komt
voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad daarbij geen termen
aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van
Laar en mr. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|