|
Uitspraak
03/283
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 5 december 2001 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 11 september 2000, waarbij
de voor haar werkzame heer R. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) met
ingang van 1 november 1998 verplicht verzekerd is geacht voor de sociale
werknemersverzekeringswetten.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 5 december 2002,
onder kenmerk 02/237, het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde
beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen
een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, bepaald
dat het Uwv het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt en
appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 25 februari 2003
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. N.E. Koetsier, advocaat te Alphen aan den
Rijn, een verweerschrift, gedateerd 24 maart 2003 ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 september
2004, waar voor appellant is verschenen mr. R. Hofland, werkzaam bij het
Uwv, en waar voor gedaagde is verschenen mr. Koetsier, voornoemd.
II. MOTIVERING
Op 27 november 1998 heeft gedaagde met [betrokkene], daarbij handelend
onder de naam [naam bedrijf betrokkene], een “freelancecontract”
gesloten, waarbij gedaagde [betrokkene] heeft belast met het
creditmanagement, waaronder begrepen incasso en debiteurenbeheer, niet
zijnde administratief beheer, het bewaken van de kwaliteit van de
verleende en te verlenen leverancierskredieten, het opstellen van
procedures en richtlijnen met betrekking tot het beheer van de
debiteuren en het leverancierskrediet alsmede de rapportage van en het
overleg met de directie over zaken het debiteurenbeheer en kredietbeheer
betreffende. De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd. Daarbij is
afgesproken dat [betrokkene] tot 31 december 1998 vijf werkdagen per
week beschikbaar is voor in totaal 320 uren, en vanaf die datum tot 31
maart 1999 gemiddeld 30 uur per week tot een maximum van in totaal 300
uren over deze periode. De overeenkomst bepaalt dat [betrokkene] zal
voldoen aan de gedragslijnen, normen en regels opgesteld door gedaagde.
De overeenkomst sluit vervanging niet uit, zij het dat dit vooraf aan
gedaagde moet worden medegedeeld en gedaagde zich met de vervanger kan
verenigen. Voorts is in de overeenkomst een honorarium per uur
afgesproken. De overeenkomst is nadien verlengd.
Een consulent van appellant heeft gedaagde op 13 juni 2000 bezocht. Deze
consulent die zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapportage van 16
juni 2000, meende dat men kan stellen dat [betrokkene] in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking tot gedaagde werkzaam is, doch dat,
gelet op de overeenkomst, enige twijfel hierover kan bestaan. In verband
met dit laatste is met gedaagde afgesproken dat [betrokkene] bezocht zal
worden. Op 29 augustus 2000 heeft een inspecteur van gedaagde
[betrokkene] bezocht. Deze inspecteur heeft in zijn rapport aangegeven
dat artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten hem niet van
toepassing lijkt in verband met het ontbreken van het element gezag. Ook
artikel 5 van deze wetten achtte hij niet van toepassing.
Anders dan zijn inspecteur heeft appellant bij besluit van 11 september
2000 aangenomen dat [betrokkene] in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking staat tot gedaagde. Dit besluit heeft appellant
gehandhaafd bij zijn besluit van 5 december 2001.
Laatstvermeld besluit heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak
vernietigd. Daarbij heeft zij overwogen dat appellant zich bij dit
besluit enkel heeft gebaseerd op de bevindingen van zijn consulent
zonder inhoudelijk in te gaan op of zelfs maar melding te maken van het
andersluidende advies van de looninspecteur. Nu weerlegging in het
bestreden besluit van de conclusie van deze inspecteur dat van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking geen sprake is, niet heeft
plaatsgevonden, berust de in dit besluit genomen beslissing naar het
oordeel van de rechtbank op een ondeugdelijke motivering.
Appellant kan zich met dit oordeel niet verenigen. Naar zijn mening is
hij niet gebonden aan de conclusie die zijn inspecteur heeft getrokken.
Op basis van het rapport van deze inspecteur, alsmede de rapportage van
zijn consulent heeft appellant geoordeeld dat [betrokkene] in
privaatrechtelijke dienstbetrekking staat tot gedaagde. Naar zijn mening
wordt aan alle voorwaarden voldaan voor het aannemen van zodanige
dienstbetrekking. In zijn besluit van 5 december 2001 heeft appellant
naar zijn mening dit afdoende uiteengezet. Ter zitting van de Raad is
namens appellant gesteld dat de rechtbank met het hiervoor weergegeven
oordeel is getreden buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde
geschil, nu in bezwaar, noch in beroep door gedaagde een beroep is
gedaan op het rapport van de inspecteur.
De Raad is van oordeel dat door appellant terecht is gesteld dat de
rechtbank buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil is
getreden en aldus artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
heeft geschonden. De Raad voegt hier nog aan toe dat op een
bestuursorgaan niet de plicht rust te motiveren waarom hij een advies
van één van zijn beambten niet heeft gevolgd.
Nu ter zitting van de Raad gedaagde desgevraagd heeft verklaard prijs te
stellen op een inhoudelijke beoordeling, en gedaagde in zijn
verweerschrift en ter zitting zich hierover ook heeft uitgelaten, zal de
Raad toepassing van artikel 26 van de Beroepswet achterwege laten.
Met betrekking tot het antwoord op de vraag of appellant zich terecht op
het standpunt heeft gesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor
het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking overweegt de
Raad als volgt.
Naar het oordeel van de Raad wordt voldaan aan het vereiste dat
[betrokkene] de werkzaamheden persoonlijk dient te verrichten. Slechts
onder bepaalde voorwaarden kan van vervanging sprake zijn. Evenzeer
wordt voldaan aan het vereiste van een plicht tot loonbetaling. Gedaagde
is met [betrokkene] voor zijn werkzaamheden een bepaald bedrag per uur
overeengekomen. Nu de werkzaamheden van [betrokkene] een wezenlijk
onderdeel vormen van de bedrijfsvoering van gedaagde - naar van haar
kant ter zitting is verklaard heeft zij in verband met de uitgifte van
tankpassen een aanzienlijk aantal debiteuren - en deze werkzaamheden
ook naar omvang structureel zijn ingebed in de bedrijfsvoering van
gedaagde, acht de Raad het mede gelet op de overeenkomst van gedaagde
met [betrokkene] niet aannemelijk dat de mogelijkheid van
gezagsuitoefening ontbreekt. Dat [betrokkene] zijn werkzaamheden met een
grote mate van zelfstandigheid verricht, maakt dit niet anders. De Raad
komt dan ook tot een bevestigende beantwoording van de hiervoor vermelde
vraag. Dat [betrokkene] zich in het maatschappelijk leven manifesteert
als zelfstandige, doet hieraan niet af. Dit geldt evenzeer voor de
omstandigheid dat gedaagde en [betrokkene] de door hen gesloten
overeenkomst aanmerken als een overeenkomst tot opdracht.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden
verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|