|
Uitspraak
03/912
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 27 maart 2003
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Alkmaar onder dagtekening 21 januari 2003 tussen partijen gewezen
uitspraak (nr. 01/1618).
Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 28 april 2003 ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 november
2004, waar voor appellant is verschenen P.R.H. Min, werkzaam bij het Uwv,
en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door haar
[directeur], bijgestaan door mr. drs. P. van de Linde, belastingadviseur
bij Cox & Partners te Hoofddorp.
II. MOTIVERING
In geschil is het antwoord op de vraag of [betrokkene 1], [betrokkene 2]
en [betrokkene 3] (hierna: betrokkenen) in de jaren in geding 1995,
1997, 1998 en 1999 tot gedaagde in een verzekeringsplichtige
arbeidsverhouding, te weten een privaatrechtelijke dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten,
werkzaam zijn geweest. Het geschil spitst zich er in het bijzonder op
toe of betrokkenen die op afroep klussen als elektricien en loodgieter
aan elektrotechnische installaties voor hun rekening namen, in een
gezagsrelatie werkzaam zijn geweest.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van
appellant, vervat in het door gedaagde bestreden besluit van 18 juli
2001 niet gevolgd, omdat aan het daaraan ten grondslag gelegde onderzoek
noch een onderzoek op de werkplek noch gesprekken met betrokkenen/
andere medewerkers ten grondslag liggen en onvoldoende weersproken is
dat betrokkenen hun werk in onderaanneming hebben uitgeoefend ter
uitvoering van bepaalde werken tegen gemaximeerde tarieven, terwijl niet
aannemelijk is dat het vaste personeel onder deze voorwaarden heeft
gewerkt. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit
berust op een onvoldoende feitelijke grondslag en een deugdelijke
motivering ontbeert en heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard
en het bestreden besluit vernietigd.
In hoger beroep heeft appellant de stellingen betrokken dat het
onderzoek voldoende is geweest, dat er genoegzaam met de directeur van
het bedrijf is gesproken, dat betrokkenen blijkens het onderzoek bij
pieken werden ingeschakeld voor klussen, en dat zij met het vaste
personeel van het bedrijf meewerkten, arbeid verrichtten die tot het
wezen van de bedrijfsvoering behoorde en dat zij gebruik maakten van
materiaal van het bedrijf. Appellant heeft er dan ook aan vastgehouden
dat over de jaren in geding terecht premiecorrecties en boetenota’s
zijn opgelegd.
Daartegenover is gedaagde zich te weer blijven stellen tegen het
gebrekkige feitelijke onderzoek en de ondeugdelijke motivering van het
bestreden besluit. Daarbij is benadrukt dat betrokkenen zelfstandige
projecten in onderaanneming deden, geen instructies ontvingen en niet
deelnamen aan het wekelijks werkoverleg, en niet zijn bevraagd in het
vooronderzoek hoe en wanneer zij hun werk verrichtten. Er werd ook
gebruik gemaakt van eigen materiaal en de stelling als zou zijn
samengewerkt met het vaste personeel heeft gedaagde aangemerkt als
slechts een loze veronderstelling. Verworpen is tevens het standpunt als
zou in tijden van drukte en ziekte personeel zijn ingeschakeld onder een
regime van dezelfde aanwijzingen en opdrachten als ware het vast
personeel. Een gedegen onderzoek is achterwege gebleven. Niet zonder
bevreemding is ervan kennis genomen dat slechts een drietal werkers van
het niet vaste personeel eruit is gelicht als zijnde
verzekeringsplichtig.
De Raad overweegt het volgende.
Op grond van de stukken en het verhandelde te zijner zitting moet de
Raad onderschrijven dat het onderzoek van appellant te summier en te
gebrekkig is geweest zowel in vergaring van basisfeiten als concrete
bevraging van betrokkenen. Een omissie van gewicht is daarbij dat
aanmerkelijk meer klussers - niet behorende tot het vast personeel voor
gedaagde - werkzaam zijn geweest op onderscheidene karweien doch dat
slechts het onderhavige drietal als beschouwd onder gezag zonder nadere
redengeving eruit is gelicht. Een voor de Raad noodzakelijk gebleken
reconstructie van de feiten en de wijze waarop betrokkenen hebben
gewerkt doet echter ook hier veeleer uitkomen dat er overwegend sprake
is geweest van het verzetten van zelfstandige klussen van specifieke
aard als elektricien of loodgieter waarvoor betrokkenen als
zelfstandige ondernemers bij uitstek toegerust waren om die zonder
instructies en aanwijzingen tot een goede afronding te brengen, waarbij
kennelijk zowel deelname aan constituerende bouwvergaderingen, de
actieve deelname aan en de evaluatie bij de oplevering van de klussen
alsmede de duidelijke maximering van de vergoeding voor de klussen -
onder het ecarteren van een extra uurvergoeding voor meerwerk of het
onder omstandigheden voor eigen rekening bijwerken - alleszins pleit
voor het aan de orde zijn van het aannemen van werken als ondernemers
zonder enige gezagsrelatie. De stelling van appellant dat betrokkenen in
piekperioden gelijkelijk aan de - condities van de - overige vaste
werknemers te werk zouden zijn gesteld vindt overigens geen steun in het
onderzoek en de feiten, doch slechts in voor betwisting vatbaar gebleken
stellingen en veronderstellingen, welke de Raad niet zonder meer tot de
zijne kan maken. De Raad acht veeleer aannemelijk dat betrokkenen, in
het kader van door gedaagde aangenomen grote projecten, voor specifieke
deelprojecten werden aangetrokken. Betrokkenen reden klaarblijkelijk ook
met eigen bedrijfsauto’s en werkten met eigen gereedschap.
Naar het oordeel van de Raad berust het bestreden besluit dan ook
onmiskenbaar niet alleen op een te summier onderzoek en ondeugdelijke
motivering maar is er ook sprake van een geheel andere arbeidsrelatie
van betrokkenen - dat wil zeggen zonder gezag - dan waarvan appellant is
uitgegaan. Derhalve valt niet in te zien dat er hier een
privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten zou kunnen worden aangenomen welke
tot premiecorrecties en boetenota’s aanleiding zou behoren te geven.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,--
voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag
groot € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 409,--wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van
Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr.
A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december
2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A. Kovács.
|
|