|
Uitspraak
03/1018
ALGEM en 03/1019 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 28
januari 2003 onder nrs. 02/1151 en 02/2885 tussen partijen gewezen
uitspraak.
Namens gedaagde heeft mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk, advocaat te
Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 november 2004. Daar heeft
appellant zich doen vertegenwoordigen door P.R.H. Min, werkzaam bij het
Uwv, en is voor gedaagde verschenen mr. Van der Voort Maarschalk,
voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedurende de periode van februari 1996 tot en met oktober 1998 is
[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) via haar persoonlijke vennootschap
werkzaam geweest voor gedaagde. Appellant heeft bij het bestreden
besluit I van 1 februari 2002 zijn primaire beslissing van 19 juli 2001
gehandhaafd waarbij werd geconcludeerd tot verzekeringsplicht op grond
van de sociale werknemersverzekeringswetten van [betrokkene] en een
daaruit voortvloeiende premieplicht voor gedaagde.
Bij het bestreden besluit II van 6 juni 2002 heeft appellant de aan
gedaagde opgelegde correctie- en boetenota’s over de jaren 1996 tot en
met 1998 gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant
op goede gronden heeft vastgesteld dat [betrokkene] in verband met haar
voor gedaagde verrichte werkzaamheden als verplicht verzekerd beschouwd
moest worden en dat gedaagde sociale premies dient af te dragen. Voorts
heeft de rechtbank overwogen dat appellant terecht een boete van 25%
heeft opgelegd. De rechtbank heeft echter de bestreden besluiten I en II
niet in stand gelaten, omdat zowel het primaire besluit van 19 juli 2001
als het bestreden besluit I zijn verstuurd aan een onjuiste en niet
bestaande adressant, te weten [adressant]. in plaats van aan de
[gedaagde].
Het hoger beroep van appellant is gericht tegen laatstbedoeld oordeel
van de rechtbank.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bestreden
besluiten in rechte stand kunnen houden. Er zijn geen andere
instellingen of ondernemingen die de naam van gedaagde voeren. Het is
van meet af aan duidelijk geweest dat gedaagde de premieplichtige
werkgever was. Gedaagde heeft tijdig bezwaar gemaakt en beroep bij de
rechtbank ingesteld en zij is kennelijk niet in haar processuele rechten
beperkt. Onder deze omstandigheden moet de onjuiste adressering van de
desbetreffende besluiten worden aangemerkt als een kennelijke misslag,
waardoor gedaagde niet in haar belangen is geschaad.
In het verweerschrift en ter zitting van de Raad zijn namens gedaagde
grieven aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak, betrekking hebbend op
de verzekeringsplicht van [betrokkene]. Ten aanzien hiervan merkt de
Raad op dat de rechtbank hierover een duidelijk rechtsoordeel heeft
gegeven, steunend op feitelijke gronden. Gedaagde heeft geen hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant heeft
het hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot het oordeel van de rechtbank
over de tenaamstelling. De Algemene wet bestuursrecht kent niet het
rechtsmiddel van incidenteel appčl. Nu de grieven van gedaagde het in
hoger beroep aan de orde zijnde onderwerp van geschil te buiten gaan
moeten zij buiten bespreking blijven.
Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep
slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking
komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen de besluiten van 1 februari 2002 en 6 juni
2002 ongegrond.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van
Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr.
A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 december
2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A. Kovács.
|
|