|
Uitspraak
03/1241
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft P.A. van Rooijen, werkzaam bij Van Rooijen
Accountants en Belastingadviseurs B.V. te Gorinchem, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 januari
2003, kenmerk 02/970, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 18
november 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante heeft als activiteit het drijven van een handelsdrukkerij. De
aandelen zijn voor 50% middellijk in handen van [mede-eigenaar]. De
overige 50% van de aandelen zijn gelijkelijk verdeeld over de
houdstervennootschappen van [aandeelhouders]. De levering van voornoemde
aandelen aan [aandeelhouder 1] heeft, blijkens de notariële
leveringsakte, op 17 juni 1999 plaatsgevonden. [Aandeelhouder 1] heeft
bij appellante als hoofdtaak de algehele leiding over de productie en
planning.
Gedaagde heeft - voorzover hier relevant - bij een op 26 maart 2001
uitgevoerde looncontrole vastgesteld dat [aandeelhouder 1] tot
appellante in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staat, waardoor
hij verplicht verzekerd is ingevolge artikel 3 van de
werknemersverzekeringswetten. Nu appellante vanaf 1 januari 1999 de aan
[aandeelhouder 1] betaalde vergoedingen niet heeft verantwoord in de
loonadministratie, heeft gedaagde aan appellante correctie- en
boetenota’s opgelegd over de jaren 1999 en 2000, welke na bezwaar bij
besluit van 21 mei 2002 zijn gehandhaafd.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 21 mei 2002 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante deze uitspraak bestreden, waarbij is
aangevoerd dat [aandeelhouder 1] niet in een gezagsverhouding staat tot
appellante omdat sprake is van gezamenlijk ondernemerschap. Tevens kan
appellante zich er niet mee verenigen dat door gedaagde ten aanzien van
de boete opzet dan wel grove schuld is aangenomen.
De Raad stelt allereerst vast dat [aandeelhouder 1], blijkens de
stukken, geen statutair directeur is aan wie het bestuur van appellante
mede is opgedragen. Door aan de jurisprudentie van de Raad te toetsen
die betrekking heeft op directeuren-(groot)aandeelhouders, hebben de
rechtbank en gedaagde dit miskend. De omstandigheid dat [aandeelhouder
1] geen statutair directeur is, betekent dat hij niet onder (direct)
gezag staat van de algemene vergadering van aandeelhouders, maar onder
het gezag van het bestuur. De stelling van appellante dat sprake is van
gezamenlijk ondernemerschap kan, gelet op het vorenstaande, niet worden
gevolgd. De enkele omstandigheid dat [aandeelhouder 1] per 17 juni 1999
een minderheidsbelang van 25% in de aandelen van appellante heeft
verworven doet aan de aldus bestaande gezagsverhouding niet af.
Met betrekking tot de opgelegde boetes merkt de Raad op dat gedaagde
terecht opzet/grove schuld heeft aangenomen. Daarbij overweegt de Raad
dat bij de werkgever de verantwoordelijkheid ligt om zich er van te
vergewissen of van door hem in verband met arbeid verstrekte
vergoedingen loonopgave moet worden gedaan. Appellante heeft in dit
kader nog jurisprudentie aangehaald. Echter, die jurisprudentie ziet op
met het onderhavige geval niet vergelijkbare gevallen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 december
2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.
|
|