|
Uitspraak
03/2644
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 6 mei 2002 (het bestreden besluit) heeft gedaagde
ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen
premiecorrectienota’s van 29 november 2001 over de premiejaren 1996
tot en met 2000 en tegen boetenota’s van 10 december 2001 over de jaren 1997 tot en met 2000. Daaraan ligt
verzekeringsplicht op basis van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten voor ten behoeve van appellant werkzame
zetschippers [E. V.] c.s. ten grondslag.
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 28 april 2003 (nr.
02/643) het beroep tegen het bestreden besluit van gedaagde ongegrond
verklaard.
Namens appellant heeft mr. C.M. IJsselsteijn, advocaat te Capelle aan
den IJssel, op de bij een aanvullend beroepschrift van 10 juli 2003
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift d.d. 29 juli 2003
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november
2004, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.M.
IJsselsteijn, voornoemd, als raadsvrouw. Gedaagde heeft zich bij die
gelegenheid niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft een zeilcharterbedrijf in de vorm van een eenmanszaak.
In de jaren in geding 1996-2000 was hij zowel eigenaar als in de regel
zelf schipper van het zeilschip [naam zeilschip], waarmee hij gedurende
het vaarseizoen van april tot in november groepen personen op grotere
pleziertochten vervoerde. Wanneer appellant soms om persoonlijke redenen
verhinderd was de tochten te maken zoals bij familiegebeurtenissen putte
hij uit een select gezelschap van een aantal zetschippers [E. V.] c.s.
om als met de bedrijfsvoering van een charterschip bekend zijnde
schipper tegen vergoeding de vaartochten over te nemen.
In geschil is de vraag of de ingeschakelde zetschippers in de jaren in
geding ten behoeve van appellant in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking werkzaam zijn geweest en of het verschuldigd zijn van
premies en boetes voor die schippers op zijn plaats is.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, in overeenstemming met
de zienswijze van gedaagde bij het bestreden besluit, de vergoedingen
die aan de zetschippers voor het voor hun rekening en verantwoording
nemen van vaartochten zijn verstrekt, beschouwd als loon. Nu het bij de
zetschippers om een beperkte, vakbekwame groep van vervangers ging,
heeft de rechtbank ook de aanwezigheid van een verplichting tot
persoonlijke dienstverrichting aangenomen.
Verder acht de rechtbank het bestaan van een gezagsrelatie aannemelijk,
ervan uitgaande dat de zetschippers van appellant aanwijzingen - konden
- krijgen en erop konden worden aangesproken, indien zij zich niet
hielden aan voorschriften, reglementen, afgesproken vaartijden, en
indien er klachten binnenkwamen van opvarenden.
Daardoor is de in geschil zijnde vraag door de rechtbank in bevestigende
zin beantwoord.
In hoger beroep heeft appellant de persoonlijke arbeidsverplichting van
de zetschippers ontkend, waarbij het aantal verschillende zetschippers
is benadrukt en hun inschakeling op incidentele basis op onverwachte
momenten. Voorts is de gezagsverhouding tussen appellant en de
zetschippers bestreden wegens de onmogelijkheid van opdrachten en
aanwijzingen aan schippers die op eigen vaarkunst en
verantwoordelijkheid waren aangewezen en niet structureel opgingen in
het organisatorisch kader van het bedrijf van appellant.
De Raad overweegt te dien aanzien op grond van de gedingstukken en het
verhandelde te zijner zitting het volgende.
Het bestaan van een loonbetalingsverplichting als tegenprestatie voor
arbeid staat tussen partijen en ook voor de Raad vast.
Voorts neemt de Raad aan dat telkens wanneer een zetschipper ter
vervanging van appellant op het desbetreffende zeilvaartuig met
passagiers als schipper voer, hij ook persoonlijk zowel wegens zijn
vakbekwaamheid aangetrokken uit een select vertrouwd gezelschap als om
reden van de aard van de waarneming en de daaruit voortvloeiende
veelomvattende verantwoordelijkheid tegenover appellant, de geboekte
passagiers en het boekingskantoor, tot het volvoeren van die
arbeidsverplichting gehouden was.
Tevens acht de Raad een gezagsrelatie tussen appellant en de
zetschippers genoegzaam vaststaan. Het werk van de zetschippers behoorde
wel degelijk structureel tot het organisatorisch kader van het bedrijf
van appellant, want het ging immers direct erom de kern van de
bedrijfsvoering consistent op het gebruikelijke peil van de verre
intensieve vaartochten te houden (door appellant omschreven als “geen
rondje rond de kerk”), waarbij de vaart doende schipper kennelijk niet
alleen als deskundig leider van amateur zeilliefhebbers maar ook als
sfeermaker in de sporen van appellant als reguliere schipper moest
treden, ook met het oog op klantenbinding in de toekomst.
De eigen invulling en verantwoordelijkheid van de zetschipper laat
onverlet dat appellant praktisch toezicht onderhield door telefonisch
contact te onderhouden met de zetschippers en overigens vooraf, onderweg
of na afloop van de reis gerede aanwijzingen kon geven over het naar
behoren nakomen van de boekingscontracten, het foerageren, het
gebruiksklaar maken en houden van het schip (onderhoud, bunkeren van
brandstof e.a.) alsmede kon bevorderen dat het gastheerschap jegens
divergente groepen van passagiers naar verwachting werd vervuld om hen
vertier en plezier op hun vaartochten te bezorgen. De
eindverantwoordelijkheid voor het vaarprogramma, de wijze van
uitvoering, waaronder de behandeling van klachten e.a. bleef daarbij
tevens klaarblijkelijk in handen van appellant berusten, waardoor
sturend kon worden opgetreden.
Daarbij was de aard en de mate van de vervanging ook weer niet zo
incidenteel en marginaal benevens te zwaar aan eisenpakket om staande te
houden dat het er niet toe deed door wie en hoe zulks onder
omstandigheden in de praktijk werd geregeld.
Op grond van een en ander is er naar het oordeel van de Raad sprake van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten en kunnen de daarmede verband
houdende premiecorrecties en boetenota’s de rechterlijke toetsing als
juist en op goede gronden gegeven doorstaan.
Hetgeen van de zijde van appellant overigens is aangevoerd doet aan de
essentie en uitkomst van het geschil, zoals hierdoor gegeven, niet af.
Inzonderheid is de Raad ook niet gebleken van gewekt gerechtvaardigd
vertrouwen gestoeld op uitdrukkelijke ondubbelzinnige toezeggingen in
looncontroles of anderszins dan wel gelijke gevallen waardoor te dezen
aan het verschuldigd zijn premies en boetes als opgelegd zou kunnen
worden getornd.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank komt mitsdien voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van
Laar en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|