|
Uitspraak
01/174
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV
Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk
99/13040, van 10 augustus 2000.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november
2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen -
niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe
ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I.
van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank terecht het besluit van 22
november 1999 - hierna: bestreden besluit - in stand heeft gelaten. In
dat besluit heeft gedaagde kennelijk ongegrond verklaard de bezwaren van
appellante tegen de besluiten waarin verzekeringsplicht is aangenomen
voor [betrokkene] (hierna: betrokkene) en dienaangaande een afrekennota
ingevolge de sociale verzekeringswetten aan appellante is gezonden
betreffende het jaar 1998.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse
taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig
onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis
van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken
bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat
taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke
dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van de Ziektewet (ZW), de
Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de
oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de
samenwerkingsovereenkomst met de [naam taxionderneming] zijn blijven
werken. In onderhavig geding waren [vennoot 1] en [vennoot 2] de
oorspronkelijke exploitanten. De werkzaamheden werden verricht in het
verband van een vennootschap onder firma met als vennoten betrokkene en
[vennoot 1] en [vennoot 2].
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een
uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ
2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde,
hierboven genoemde, onderzoek.
De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is,
geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen
thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de
Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige
arbeidsverhouding heeft aangenomen ten aanzien van betrokkene en daar
premieplichtige consequenties aan heeft verbonden. Tevens is de Raad van
oordeel dat het, gezien de inhoud van het bestreden besluit, duidelijk
moet zijn geweest welke vennoten van de [appellante] als werkgever van
de betrokkene dienen te worden aangemerkt. [betrokkene] - de werknemer -
is in het besluit immers expliciet vermeld. Blijkens hetgeen door
[appellante] in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren is gebracht,
is het ook steeds duidelijk geweest tussen welke vennoten onderscheid
werd gemaakt.
Derhalve heeft de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand
gelaten en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om
in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.
|
|