|
Uitspraak
01/455
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam,
bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Amsterdam, kenmerk 98/4938, van 29 november 2000.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober
2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen -
niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe
ambtshalve te zijn opgeroepen - heeft doen vertegenwoordigen door E.I.
van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten het
besluit van gedaagde waarin deze verzekeringsplicht heeft aangenomen
voor [betrokkenen] (hierna: betrokkenen) en tevens heeft besloten dat
appellante premies verschuldigd is over de aan betrokkenen gedane
betalingen ingaande 15 januari 1998.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse
taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig
onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis
van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken
bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat
taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke
dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van de Ziektewet (ZW), de
Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de
oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de
samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven
werken. In onderhavig geding was appellante de oorspronkelijke
exploitant. De werkzaamheden werden verricht in het verband van een
vennootschap onder firma ([naam VOF]) met als vennoten betrokkenen
en appellante.
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een
uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ
2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde,
hierboven genoemde, onderzoek.
De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is,
geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen
thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de
Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige
arbeidsverhouding heeft aangenomen tussen appellante en betrokkenen en
daar premieplichtige consequenties aan heeft verbonden.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om
in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.
|
|