|
Uitspraak
02/811
ALGEM en 02/812 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], handelend onder de naam [naam eenmanszaak], wonende te
Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 99/7269 en 99/9157, van 21 december
2001.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4
november 2004, waar voor appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is
verschenen E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde -
hoewel eveneens daartoe ambtshalve opgeroepen - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat aan
het bestreden besluit van 15 juni 1999 een ernstig motiveringsgebrek
kleeft. In dat besluit heeft appellant geoordeeld dat de bij [naam
eenmanszaak] werkzaam zijnde taxichauffeurs in een verzekeringsplichtige
arbeidsverhouding staan tot gedaagde. De rechtbank heeft dit besluit
vernietigd, omdat in genoemd besluit niet zou staan vermeld voor welke
vennoot van [naam eenmanszaak] door appellant verzekeringsplicht is
aangenomen en vanaf welke datum deze plicht voor een ieder van deze
vennoten geldt, wat een ernstig motiveringsgebrek zou opleveren. Tegen
dit oordeel richt zich het hoger beroep van appellant.
Met appellant is de Raad van oordeel dat in het besluit van 15 juni 1999
voldoende duidelijk vermeld staat om welke vennoten het gaat en wat de
ingangsdatum van de verzekeringsplicht is. De aangevallen uitspraak komt
daarom voor vernietiging in aanmerking.
De Raad is tevens van oordeel dat de zaak met betrekking tot het
bestreden besluit van 15 juni 1999 geen nadere behandeling door de
rechtbank behoeft, en zal onder toepassing van artikel 27 van de
Beroepswet deze zonder terugverwijzing naar de rechtbank zelf afdoen.
Met betrekking tot de verzekeringsplicht van bedoelde taxichauffeurs
overweegt de Raad als volgt.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse
taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig
onderzoek (mede) door appellant ingesteld naar de taxibranche. Op basis
van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken
bij individuele taxiondernemingen heeft appellant geconcludeerd dat
taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke
dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van de Ziektewet (ZW), de
Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de
oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de
samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven
werken. In onderhavig geding was gedaagde de oorspronkelijke exploitant.
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een
uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ
2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde,
hierboven genoemde, onderzoek.
De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is,
geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen
thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de
Raad tot het oordeel dat appellant terecht een verzekeringsplichtige
arbeidsverhouding heeft aangenomen tussen gedaagde en de betrokken
taxichauffeurs en daar premieplichtige consequenties aan heeft
verbonden.
In genoemde uitspraak van 23 oktober 2003 heeft de Raad ook geoordeeld
dat appellant terecht heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen
met betrekking tot de opgelegde premienota’s. Ook daaromtrent ziet de
Raad geen aanleiding thans anders te beslissen.
Tenslotte is de Raad ook van oordeel dat appellant gedaagde, in het
kader van de (gedifferentieerde) premieheffing voor de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, terecht heeft aangemerkt als nieuwe
onderneming in de categorie kleine werkgevers, met als gedifferentieerde
premie voor 1999 0,77%.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak vernietigd
moet worden en het beroep ongegrond verklaart.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om
in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.
|
|