|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/1455 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [woonplaats] (Curaçao), appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft haar directeur R. [directeur appellante] hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25
februari 2003, reg.nr. 02/2022.
Bij aanvullend beroepschrift van 23 mei 2003 met een nadere aanvulling
op 12 oktober 2003 heeft appellante dit beroep nader gemotiveerd, onder
bijvoeging van een notariële akte behelzende een verklaring van
[betrokkene] op 13 januari 2003 alsmede een specificatie van haar
declaraties over de jaren 1998, 1999, 2000, benevens uren- en
rekeningsoverzichten, en ook reisgegevens. Desgevraagd zijn ook de
statuten ingezonden.
Namens gedaagde is een verweerschrift onder dagtekening 29 juli 2003,
gevolgd door een aanvullend verweerschrift van 28 november 2003
ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11
oktober 2004, doch aangezien appellante geen kennisgeving hiervoor bleek
te hebben ontvangen, is beslist het geding na heling van dit gebrek op
een later tijdstip andermaal ter zitting aan de orde te stellen.
Het geding is hierna behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5
januari 2005, waar appelante zich heeft doen vertegenwoordigen door R.
[directeur appellante], voornoemd, terwijl gedaagde is verschenen bij
gemachtigde mr. N.M.D. Beek, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In hoger beroep wordt blijkens het verhandelde ter zitting van de Raad
van de zijde van appellante niet langer betwist dat [betrokkene]
(hierna: [betrokkene]) in de jaren 1998-2000 als ondersteunende
hulpkracht/administratrice op het kantooradres in Nederland van de
onderneming substantiële werkzaamheden in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking heeft verricht en derhalve verzekeringsplichtig is
geweest in de zin van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten en dat appellante daardoor gehouden was
premies over de aan [betrokkene] betaalde vergoedingen af te dragen.
Appellante blijft aan de hand van nader door hem ingebrachte
aantekeningen de omvang van - met name de tijdvakken van - het werk van
[betrokkene] voor de onderneming betwisten en acht de hoogte van de
correctienota’s inclusief de premiepercentages waarvan gedaagde op
basis van de geschatte benadelingsberekening door de looninspectie is
uitgegaan op een onzorgvuldige en onverantwoorde wijze tot stand
gekomen, juist ook nu [betrokkene] zelf hieromtrent destijds niet nader
is bevraagd.
Gedaagde blijft hiertegenover van mening dat hij op goede gronden door
de rechtbank bij de aangevallen uitspraak in het gelijk is gesteld, en
dat bij gebreke van exacte en betrouwbare administratieve en
loongegevens tot een redelijke schatting op basis van de wel bekende
gegevens, waaronder een verklaring van R. [directeur appellante] zelf,
mocht worden overgegaan en dat onder de gegeven omstandigheden het
risico van een te hoge schatting voor rekening van appellante diende te
blijven.
De Raad overweegt te dien aanzien het volgende.
Bij gebreke van reguliere en betrouwbare administratieve en loongegevens
deelt de Raad het standpunt van de rechtbank dat de met de
benadelingsberekening van de looninspectie corresponderende
schattenderwijs vastgestelde premiecorrecties inclusief de percentages
betreffende de aan [betrokkene] in de jaren 1998 – 2000 betaalde
vergoedingen voor eenvoudig kantoor- en hulpwerk hier te lande de toets
van zorgvuldige totstandkoming en van redelijke verantwoorde uitkomsten
kunnen doorstaan. De looninspectie heeft zich genoegzaam gebaseerd op
een verklaring van R. [directeur appellante] zelf over de aard, de
omvang van het ondersteunende werk en de hoogte van de beloning voor
[betrokkene] en ook de overige bekende gegevens in het dossier,
waaronder die van de FIOD, wijzen niet in andere richting. Niet met
vrucht kan worden staande gehouden dat er in casu voldoende zakelijke
grondslag was hetzij [betrokkene] zelf alsnog te bevragen hetzij zonder
genoegzame grond de schatting naderhand te matigen. In dit verband
spreekt de Raad als zijn overtuiging uit dat ook de vanwege appellante
nader ingebrachte niet verifieerbare herstelberekeningen vanuit een
ingeperkte werkomvang door [betrokkene] voor de betrokken onderneming
met behulp van kennelijk rudimentaire persoonlijke aantekeningen hem na
afweging niet tot een andere uitkomst hebben kunnen brengen, nu zulks
eensdeels onvoldoende afbreuk doet aan de oorspronkelijk door [directeur
appellante] afgelegde verklaring met ook anderszins in het dossier
gestaafde concrete gegevens over werk, tijd en beloning van [betrokkene]
en anderdeels als zodanig evenmin een zo duidelijk consistent en
betrouwbaar ander beeld hiervan oplevert dat dit de eerder getrokken
conclusies structureel aan een ontoereikende onderbouwing zou kunnen
doen lijden. Dit laatste is te minder het geval gegeven de grondslag en
de aard van de corrigerende schatting welke uitgaande van in elk geval
van de aanvang af bekend geworden basisgegevens een overigens gebrekkige
niet objectiveerbare administratieve boekhouding - welke evenmin als de
naderhand opgemaakte notariële verklaring van [betrokkene] iets concreet
bepaalbaars afdingt op de aangenomen mate van haar inschakeling -
ontegenzeggelijk geheel en al voor rekening en verantwoording van
appellante laat komen.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank komt dan ook voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|