|
Uitspraak
03/1472
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemerverzekeringen,
appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 21 februari 2002 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 16 mei 2001, waarbij de voor
gedaagde werkzame [betrokkene] met ingang van 1 april 1999 verplicht
verzekerd is geacht voor de sociale werknemersverzekeringswetten, omdat
wordt voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 17 februari 2003,
registratienummer 02/788, het namens gedaagde tegen dat besluit
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant
veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het door gedaagde
betaalde griffierecht vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 15 mei 2003 van die
uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. T.J. Wintermans, belastingadviseur te
Rotterdam, een verweerschrift, gedateerd 5 december 2003, ingediend.
Hierop heeft appellant gereageerd bij brief van 2 maart 2004, waarop
gedaagde op haar beurt heeft gereageerd bij brief van 14 april 2004.
Desgevraagd heeft appellant bij brief van 20 september 2004 de Raad
nadere stukken doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 oktober
2004, waar voor appellant is verschenen mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij
het Uwv, en waar voor gedaagde zijn verschenen S.M. Engelsen en mr.
Wintermans, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde houdt zich bezig met het voeren van interimmanagement,
tijdelijk management, parttime management en projectmanagement in
ondernemingen en vennootschappen. Vanaf 1 april 1999 is [betrokkene],
handelend onder de naam [naam bedrijf betrokkene], op basis van een met
gedaagde gesloten overeenkomst voor uitvoering van interim-management
tijdelijk werkzaam geweest bij het Gemeentelijke Vervoersbedrijf te
Amsterdam (GVB). De aard van de werkzaamheden en de voorwaarden
waaronder de werkzaamheden werden verricht, zijn neergelegd in deze
overeenkomst, alsmede in een door gedaagde met het GVB gesloten
overeenkomst en een opdrachtformulering.
Op verzoek van [betrokkene] heeft appellant haar arbeidsverhouding met
gedaagde beoordeeld. Daarbij is appellant tot de conclusie gekomen dat
deze arbeidsverhouding valt te kwalificeren als een privaatrechtelijke
dienstbetrekking als bedoeld in primair artikel 7:610, subsidiair
artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek.
Het besluit van appellant van 21 februari 2002, waarbij appellant dit
standpunt heeft gehandhaafd, heeft de rechtbank niet in stand gelaten.
De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat er sprake was van een
verplichting om de arbeid persoonlijk te verrichten en een verplichting
tot loonbetaling. Van een gezagsverhouding was naar het oordeel van de
rechtbank evenwel geen sprake. Voorts is naar haar oordeel niet gebleken
van een uitzendovereenkomst. Omtrent het ontbreken van een
gezagsverhouding is bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is
aangeduid als verweerder en gedaagde als eiseres, het volgende
overwogen:
"Voor wat betreft de vraag of er sprake is van een gezagsverhouding
constateert de rechtbank dat de werkzaamheden van eiseres (lees:
[betrokkene]) met zich brachten dat aan haar daarbij een grote mate van
vrijheid werd gelaten en dat zij haar werk - dat zij ten kantore van het
GVB verrichtte - voor een groot deel naar eigen inzicht kon invullen.
Zulks duidt niet direct op het bestaan van gezag. Het enkele feit dat
evaluatiegesprekken plaatsvonden en dat in bijzondere omstandigheden beëindiging
door eiseres van het werk van [[betrokkene] voor de opdrachtgever
mogelijk is, doet daar niet aan af. Ook bij een overeenkomst van
opdracht zijn voortgangsbesprekingen, verantwoording (achteraf) en de
mogelijkheid van beëindiging van de opdracht bij (evidente)
"wanprestatie" niet ongebruikelijk. De rechtbank verwijst
daarbij onder andere naar de hierboven genoemde uitspraak van de CRvB
van 16 december 1999, RSV 2000/26. Het enkele feit dat een en ander
geduid kan worden als "controle achteraf", kan gelet op het
incidentele en zeer beperkte karakter ervan, niet zonder meer tot het
aannemen van werkgeversgezag leiden. Hetzelfde geldt voor de gesprekken
met een schaduwmanager. Gelet op het grote aantal interim managers bij
eiseres acht de rechtbank het niet aannemelijk dat dit (reëel)
werkgeversgezag inhoudt (zie CRvB 16 december 1999).
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het tussen eiseres en
[betrokkene] overeengekomen concurrentiebeding evenzeer in een
overeenkomst van opdracht kan voorkomen, althans dit gegeven wijst niet
exclusief op bestaan van dienstbetrekking ex artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringen. Waar de voorgaande aspecten van de
rechtsrelatie tussen eiseres en [betrokkene] al niet leiden tot het
aannemen van een arbeidsovereenkomst in de zin van het meergenoemde
artikel 3, wijzen de volgende elementen juist in de richting van de
aanwezigheid van zelfstandige beroepsuitoefening:
- [betrokkene] was ingeschreven bij het register van de Kamer van
Koophandel en Fabrieken;
- [betrokkene] had een eigen arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- [betrokkene] had een eigen beroepsaansprakelijkheidsverzekering (beide
verzekeringen tegen reële premies);
- [betrokkene] was aansprakelijk voor schade jegens eiseres bij
voortijdige beëindiging van de opdracht door haarzelf;
- [betrokkene] werkt - naar uit de stukken blijkt - meer dan
incidenteel voor meerdere opdrachtgevers (tegelijk)."
Appellant kan zich niet vinden in deze overwegingen van de rechtbank.
Kort gezegd is hij van mening dat uit de overeenkomst tussen gedaagde en
[betrokkene] wel degelijk het bestaan van een gezagsverhouding blijkt.
Appellant doelt hierbij op artikel 3, eerste lid, en artikel 6, derde
lid, van de overeenkomst. In artikel 3, eerste lid, is onder meer
bepaald dat na 3 weken met de interim-manager, de opdrachtgever en
gedaagde een evaluatie zal worden gehouden, waarbij de samenwerking en
de opdracht centraal staan. Afhankelijk van de gezamenlijke conclusies
van deze evaluatie zal het contract wel of niet worden voortgezet. In
artikel 6, derde lid, van de overeenkomst is voorzien in een zogenaamde
schaduwmanager van de kant van gedaagde, die de interimmanager ter zijde
staat ten einde de verhouding opdrachtgever - probleemstelling - interimmanager te optimaliseren en het
functioneren van de interim-manager in deze verhouding te bewaken. De
interimmanager zal over de voortgang van de activiteiten regelmatig de
schaduwmanager informeren waarbij ook geregeld de opdrachtgever aanwezig
is. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal de interim-manager,
zonodig in overleg met de opdrachtgever, rekening houden met de
conclusies van het overleg met de schaduwmanager.
De Raad stelt op grond van deze bepalingen vast dat gezagsuitoefening
van de kant van gedaagde jegens [betrokkene] tot de mogelijkheden moet
hebben behoord. In aanmerking nemende dat, zoals de rechtbank al heeft
vastgesteld, er sprake was van een verplichting tot persoonlijke
arbeidsverrichting en van een verplichting tot loonbetaling, moet dan
ook worden geconcludeerd dat aan alle voorwaarden voor het aannemen van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking werd voldaan. Hieraan kan niet
afdoen dat [betrokkene] haar werkzaamheden met een grote mate van
vrijheid heeft verricht ten kantore van het GVB. Dat [betrokkene] zich
in het maatschappelijk leven manifesteert als zelfstandige behoeft
geenszins te betekenen dat zij in de onderwerpelijke arbeidsverhouding
niet in dienstbetrekking werkzaam was. Het moge zo zijn dat, zoals door gedaagde is betoogd, de schaduwmanager in dit geval geen rol van
betekenis heeft gespeeld, zulks neemt niet weg dat de wijze waarop gedaagde en
[betrokkene] hun samenwerking juridisch hebben vormgegeven
gezagsuitoefening niet uitsluit.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand
kan blijven en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden
verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M.
Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari
2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.
|
|