|
Uitspraak
03/1765
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij op 14 mei 2003 aangevuld beroepschrift heeft appellant hoger beroep
ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 28 februari 2003,
reg.nr. 02/1924, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. A. van Keulen, belastingadviseur bij Coloniae
Belastingadviseurs een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 december
2004 waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.K. Dik
en mr. D.B. Smaalders, beiden werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde met
voorafgaand bericht niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Blijkens het besluit op bezwaar is appellant van oordeel dat de
verdiensten van gedaagdes werknemer [naam werknemer] over de jaren 1996
tot en met 1998 beneden het in artikel 3, eerste lid, van de
Ziekenfondswet (hierna: Zfw) bedoelde bedrag (hierna: Zfw-loongrens)
lagen. Derhalve was deze werknemer volgens appellant verplicht verzekerd
ingevolge de Zfw en diende gedaagde terzake premies in te houden en af
te dragen. Gedaagde heeft tegen die beslissing beroep bij de rechtbank
ingesteld, voorzover het de jaren 1996 en 1997 betrof.
In het verweerschrift bij de rechtbank heeft appellant medegedeeld dat
de bestreden beslissing voor het jaar 1997 niet werd gehandhaafd
aangezien de verdiensten van de werknemer toen boven de Zfw-loongrens
lagen. Appellant heeft de rechtbank verzocht de bestreden beslissing
over het jaar 1997 te vernietigen. Bij nader verweerschrift, dat vier
dagen voor de zitting bij de rechtbank is ingekomen, heeft appellant
gesteld toch zijn standpunt te handhaven dat er ook over 1997 sprake was
van verzekerings- en premieplicht.
De rechtbank heeft, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten,
het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd voor zover dit het jaar 1997 betrof en, met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de
premiecorrectie voor het jaar 1997 ingetrokken. Daarbij heeft zij
overwogen dat de herhaalde standpuntwijziging van appellant in strijd is
met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en dat om die reden het
nader verweerschrift van appellant niet bij de beoordeling van de zaak
betrokken kon worden.
De Raad constateert dat het geschil nog slechts betreft het jaar 1997 en
meer in het bijzonder de vraag of appellant heeft gehandeld in strijd
met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel en overweegt in dit
verband als volgt.
Het op de peildatum 1 november 1996 met toepassing van artikel 3, vierde
lid, van de Zfw vastgestelde brutoloon per vier weken inclusief
vakantiegeld van betrokkene lag over het jaar 1997 onder de
Zfw-loongrens. Dit wordt niet anders wanneer naast dit brutoloon ook de
feestdagentoeslag van (destijds) f 600,-- in aanmerking wordt genomen.
Appellant heeft dus terecht en op goede gronden in het bestreden besluit
de premiecorrectie over 1997 gehandhaafd.
De processuele houding van appellant gedurende de daarop volgende
beroepsprocedure in eerste aanleg verdient zeker niet de
schoonheidsprijs. Naar het oordeel van de Raad kan echter niet gezegd
worden dat daarmee de bestreden beslissing in strijd met de
rechtszekerheid of het vertrouwensbeginsel moet worden geacht. Immers,
na afronding van de besluitvorming is hangende het geding in eerste
aanleg in het verweerschrift een onjuist, nadien hersteld, standpunt
door gedaagde ingenomen. Dat in het verweerschrift ingenomen standpunt
is in strijd met de wet. Blijkens het inleidend beroepschrift was dat
gedaagde ook duidelijk, waar zij doet blijken goed weet te hebben dat de
relevante peildatum 1 november 1996 is. Gedaagde heeft niet gesteld dat
het in het verweerschrift in eerste aanleg ingenomen, onjuiste,
standpunt van haar gedragsbepalend is geweest. Onder deze omstandigheden
heeft de rechtbank ten onrechte hierin aanleiding gevonden om het
bestreden besluit te vernietigen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep
slaagt.
Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het inleidend
beroep ongegrond verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20
januari 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|