|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4475 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.B.M. Loesink, belastingadviseur te
Varsseveld, op in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2004 met
kenmerk 03/1564.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 19 mei 2005, waar partijen, zoals tevoren schriftelijk
bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Tot 1 januari 1997 was [betrokkene] (hierna: betrokkene) samen met zijn
broer directeur- grootaandeelhouder van appellante. Met ingang van
voornoemde datum zijn alle aandelen overgedragen aan de zoon van
betrokkene, [zoon betrokkene], terwijl betrokkene werkzaam is gebleven
als monteur.
Bij besluit van 10 december 1998 heeft gedaagde vastgesteld dat
betrokkene met ingang van 1 januari 1997 niet in een
verzekeringsplichtige arbeidsrelatie werkzaam is tot appellante wegens
het ontbreken van een gezagsrelatie.
Betrokkene is werkzaam onder omstandigheden en voorwaarden, die afwijken
van de omstandigheden en voorwaarden welke normaal gelden voor personen
die in ondergeschiktheid werkzaam zijn. Appellante heeft geen bezwaar
gemaakt tegen het besluit van 10 december 1998, als gevolg waarvan dit
besluit rechtens onaantastbaar is geworden.
Op 15 oktober 2002 heeft appellante gedaagde verzocht om terug te komen
van het besluit van 10 december 1998.
Bij besluit van 27 november 2002 heeft gedaagde geweigerd om van het
besluit van 10 december 1998 terug te komen. Bij besluit van 18 juni
2003 heeft gedaagde met een volledige inhoudelijke toetsing besloten om
betrokkene ook met ingang van 1 januari 1999 niet verzekeringsplichtig
te achten. Gedaagde meent dat er geen omstandigheden zijn die duiden op
een gezagsverhouding tussen betrokkene en [zoon betrokkene]. In dit
verband heeft gedaagde er op gewezen dat betrokkene zelf zijn werktijden
bepaalde, dat zijn verlofuren en -dagen niet werden geregistreerd en
dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst was. Voorts had betrokkene
een vordering op appellante en verrichtte hij als enige monteur, net als
[zoon betrokkene], verkoopwerkzaamheden. Bij de aangevallen uitspraak
heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 juni 2003
ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank betreffende de
gezagsrelatie bestreden. Appellante meent voldoende nieuwe feiten en
gewijzigde omstandigheden naar voren te hebben gebracht op basis waarvan
dient te worden geoordeeld dat betrokkene met ingang van 1 januari 1999
verzekeringsplichtige arbeid heeft verricht.
De Raad overweegt als volgt.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere
afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij
het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het
bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat
daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van
deze bevoegdheid zijn eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de
weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit.
Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de
dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van
rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de
bestuursrechter in zulk een geval uit te gaan van het oorspronkelijke
besluit en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het
bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijke besluit te herzien.
In het kader van haar verzoek om terug te komen van het besluit van 10
december 1998 heeft appellante onder meer gewezen op de overname van
appellante door [zoon betrokkene] van betrokkene en de dientengevolge
ingrijpende wijziging in het beleid van het bedrijf. Betrokkene heeft
zich volgens appellante binnen de onderneming gedragen als iedere andere
werknemer.
Evenals de rechtbank is de Raad op dezelfde gronden van oordeel dat geen
sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden op basis waarvan
kan worden geoordeeld dat sprake is van een verzekeringsplichtige
arbeidsrelatie tussen appellante en betrokkene. De door appellante
aangevoerde omstandigheden, waarvan de Raad niet heeft kunnen
vaststellen dat deze omstandigheden met ingang van 1 januari 1999 zijn
ingetreden, bieden onvoldoende grond voor het oordeel dat een
gezagsrelatie met ingang van voornoemde datum aanwezig dient te worden
geacht. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde heeft
kunnen weigeren om op het besluit van 10 december 1998 terug te komen.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. L.M.
Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) L.M. Reijnierse.
|
|