|
Uitspraak
02/2875 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. C.H.J. van der Maas, advocaat te Adorp, hoger
beroep ingesteld op nader aangevoerde gronden tegen de door de rechtbank
Groningen op 17 april 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr.
Awb 00/1190 ALGEM, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 april 2005, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C.H.J. van der Maas en waar namens gedaagde is verschenen mr. D.M.
Rensema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant is eigenaar van het schip “[naam schip]” en exploiteert
daarmee als zelfstandig ondernemer een vissersbedrijf dat zich toelegt
op de garnalenvisserij. Daarbij maakt hij gebruik van zogenoemde
deelvissers als bemanningsleden. Op
10 december 1999 heeft gedaagde bij appellant een looncontrole
uitgevoerd. Deze controle maakte deel uit van een project van gedaagde
met als doel van alle schepen die in 1995 in de Gids voor
vissersvaartuigen vermeld stonden vast te stellen of sprake was van
verzekeringsplicht wat betreft deelvissers. De bevindingen van de
looncontrole zijn neergelegd in een rapport van 16 maart 2000. De
conclusie was dat ten aanzien van de deelvissers [H.B.], [M.B.], [A.L.],
[R.T.], [E.v.d. V.], [F.S.] en [P.P.] sprake was van verplichte
verzekering op grond van artikel 3 van de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet (hierna: de
wetten) en subsidiair op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en
onder f, van de wetten.
Bij besluiten van 23 mei 2000 heeft gedaagde correctienota’s
vastgesteld over de jaren 1995 tot en met 1998. Namens appellant is op 9
juni 2000 bezwaar gemaakt tegen de zojuist vermelde correctienota’s.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 23 juni 2000 een verzuim
geregistreerd en bij besluiten van 3 juli 2000 boetenota’s over 1995
tot en met 1998 vastgesteld.
Bij besluit van 20 oktober 2000 (bestreden besluit) heeft gedaagde het
bezwaar voorzover het betreft het besluit van 23 mei 2000 ongegrond
verklaard en voorzover het de verzuimregistratie en de boetenota’s
betreft niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant is op 29 november 2000 beroep ingesteld. Bij de
aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard
voorzover gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de bezwaren
tegen de verzuimregistratie en de boetenota’s, het bestreden besluit
in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond
verklaard.
Gedaagde heeft berust in de aangevallen uitspraak voorzover het betreft
de vernietiging van de niet-ontvankelijk verklaring. Tussen partijen is
allereerst in geschil of gedaagde terecht heeft besloten dat sprake is
van verzekeringsplicht voor de hiervoor genoemde deelvissers. De Raad
beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend op grond van
het volgende.
Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van de wetten
wordt mede als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van
degene die als lid van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak
heeft op een aandeel in de besomming, tenzij hij als zodanig tegen de
geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid verzekerd is bij het
Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij (SFM) of exploitant of
mede-exploitant van het vaartuig is. Ingevolge deze bepaling zijn de met
en voor appellant werkende maatschapsvissers verplicht verzekerd
ingevolge voornoemde wetten.
Namens appellant is voorts aangevoerd dat artikel 4, lid 1, onder f, van
de wetten in strijd is met het Europese recht. Met betrekking tot deze
grief merkt de Raad op dat in het midden kan worden gelaten of het SFM
al dan niet moet worden aangemerkt als onderneming in de zin van de
artikelen 85 en volgende van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap zoals dat luidde tot 1 mei 1999 (EG-Verdrag), nu naar het
oordeel van de Raad ook indien het SFM als onderneming zou moeten worden
aangemerkt, geen sprake is van strijd met deze bepalingen.
Vooropgesteld moet worden dat het gemeenschapsrecht volgens vaste
rechtspraak van het Hof van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) de
bevoegdheid van de lidstaten om hun sociale zekerheidsstelsels in te
richten, onverlet laat (onder meer HvJ EG 22 januari 2002, Cisal
Battistello Venanzio & C. Sas, C-218/00). In dat verband is van
belang dat de zojuist genoemde bepaling in de wetten tot stand is
gekomen op aandrang van de betrokken sector van het bedrijfsleven omdat
degenen die binnen die sector werkzaam zijn, de in de wetten neergelegde
verhouding tussen werkgever en werknemers niet herkenden binnen de
maatschap waarin zij werkzaam zijn. De bepaling strekt ertoe degenen die
in de visserijsector werkzaam zijn, de keuze te laten tussen
publiekrechtelijke verzekering ingevolge de wetten dan wel zich aan te
sluiten bij het SFM, dat het karakter draagt van een onderlinge
waarborgmaatschappij. De bepaling vormt derhalve voor een beperkte groep
personen een uitzondering op de reguliere sociale verzekering zoals die
in de wetten is vastgelegd, doch blijft verwant aan die verzekering. Ook
voor deze uitzondering geldt dat daarmee een sociaal doel wordt
nagestreefd en dat de regeling uitgaat van het solidariteitsbeginsel.
Gezien het vorenstaande moet de in artikel 4, eerste lid, onder f, van
de wetten neergelegde regeling geacht worden deel uit te maken van het
sociale zekerheidsstelsel van ons land. Naar het oordeel van de Raad is
de regeling voorts van dien aard dat de vaststelling daarvan niet is te
beschouwen als een handeling die de totstandkoming van met artikel 86
van het EG-Verdrag strijdige mededingingsregelingen oplegt dan wel de
werking ervan versterkt.
Ook los van het in de voorgaande twee alinea’s overwogene is de Raad
van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 86 en volgende van het
EG-Verdrag. Hoewel artikel 86 van het
EG-Verdrag zich tot de ondernemingen richt, legt het verdrag toch ook de
lidstaten de verplichting op geen maatregelen te nemen of te handhaven
welke de bepaling haar nuttig effect kunnen ontnemen (HvJ EG 16 november
1977, Inno, 13/77). Artikel 90, lid 1, van het EG-Verdrag bepaalt dat de
lidstaten met betrekking tot de ondernemingen waaraan zij bijzondere of
uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel nemen of handhaven
welke in strijd is met de regels van het verdrag, met name die bedoeld
in de artikelen 85 tot en met 94 (HvJ 23 april 1991, Höfner en Elsner,
C-41/90). Het creëren van een machtspositie door de verlening van een
uitsluitend recht in de zin van artikel 90, lid 1, is als zodanig niet
onverenigbaar met artikel 86 EG-Verdrag. De door appellants gemachtigde
naar voren gebrachte grief dat het aan het SFM toegekende recht de
marktverhoudingen verstoort, kan derhalve niet slagen. Een lidstaat
handelt pas in strijd met de in genoemde twee artikelen vervatte
verbodsbepalingen indien de betrokken onderneming door de enkele
uitoefening van het haar toegekende uitsluitend recht misbruik van haar
machtspositie maakt (HvJ EG 5 oktober 1994, Centre d’insémination de
la Crespelle, C-323/93). Voorzover namens appellant is bedoeld te
stellen dat dit misbruik bestaat uit de vaststelling van (te) hoge
prijzen, stelt de Raad vast dat dit gestelde misbruik geen rechtstreeks
gevolg van de wet is. Artikel 4, eerste lid, onder f, van de wetten
noopt het SFM niet tot het berekenen van bepaalde premies of het
hanteren van bepaalde voorwaarden en appellant kan ervoor kiezen gebruik
te maken van de publiekrechtelijke verzekering.
Al het hiervoor overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat, ook indien
het SFM als onderneming in de zin van artikel 86 van het EG-Verdrag zou
moeten worden aangemerkt, geen sprake is van strijd met deze bepaling.
Met betrekking tot het namens appellant gedane beroep op het
gelijkheidsbeginsel stelt de Raad allereerst vast dat appellant en zijn
bemanning blijkens de stukken in de jaren 1995 tot en met 1998 niet
verzekerd waren bij het SFM. Daarbij komt dat het bestreden besluit is
genomen in het kader van een project waarin door gedaagde de schepen
zijn betrokken die in 1995 in de Gids voor vissersvaartuigen van het
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij stonden vermeld. Naar
het oordeel van de Raad kan appellant dan ook niet op één lijn worden
gesteld met de aangevoerde gevallen waarin sprake is van verzekering bij
het SFM met terugwerkende kracht of premiebetaling over het jaar 1993.
Daaraan kan nog worden toegevoegd dat een beroep op het
gelijkheidsbeginsel niet zover gaat, dat een in een vergelijkbaar geval
gemaakte incidentele fout dient te worden herhaald.
Met betrekking tot de vraag of appellant kan worden verweten dat hij
over de jaren 1995 tot en met 1998 niet tijdig heeft voldaan aan de
verplichting op grond van artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale
verzekeringen jaarlijks opgave te doen van het inkomen van de
bemanningsleden, overweegt de Raad dat deze verplichting van rechtswege
ontstaat. Bij twijfel had het op de weg van appellant gelegen bij
gedaagde hierover navraag te doen. In dit geval bestaat geen aanleiding
om een bijzonder geval aan te nemen, waarin strikte toepassing van de
wetten in strijd komt met de beginselen van behoorlijk bestuur.
Ten slotte wijst de Raad erop dat gedaagde in dit geding geenszins
gebonden is door de interpretatie van de Belastingdienst van de term
ondernemer in de fiscale wetgeving.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
In hetgeen overigens door en namens appellant is aangevoerd ziet de Raad
geen grond om tot een ander oordeel te komen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juli
2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|