|
Uitspraak
03/2182 ALGEM, 03/2183 ALGEM, 03/2184 ALGEM en 03/2185 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant 1], gevestigd te Den Haag,
[appellant 2] en [appellant 3], wonende te Den Haag,
[appellant 4], wonende te Leiden, appellanten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellanten heeft mr. C.L. Capel, advocaat te Rotterdam, op
daartoe aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de
rechtbank Den Haag op 25 maart 2003, onder nummer 02/1745, tussen
partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en appellanten hebben bij
brief van 9 mei 2005 nadere stukken ingezonden.
De gedingen zijn, gevoegd met het geding onder nummer 04/5856 CSV,
behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2005. Appellant [appellant 3] is daar in persoon verschenen,
bijgestaan door mr. Capel, voornoemd, en J.E.C. van Arkel, accountant te Leiden. Namens gedaagde is verschenen
mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
De heren [appellant 3], [appellant 2], [vennoot 1] en [appellant 4]
(verder te noemen: [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant
4]) oefenden tot 30 mei 1996 een onderneming in maatschapsverband uit.
De winstverdeling was als volgt: [appellant 2], [appellant 3] en
[vennoot] ieder 27% en [appellant 4] 19%. Op 30 mei 1996 hebben zij via
hun persoonlijke beheersmaatschappijen [appellant 1] (verder te noemen:
de vennootschap) opgericht. De directie wordt benoemd door de algemene
vergadering van aandeelhouders, die bij volstrekte meerderheid van de
uitgebrachte stemmen beslist. De persoonlijke beheersmaatschappijen van
[appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4] zijn daarbij,
blijkens de statuten, tot directeuren van de vennootschap benoemd. Er
zijn 100 aandelen uitgegeven en blijkens de statuten bezitten (de
beheersvennootschappen van) [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en
[appellant 4] 28 resectievelijk 28, 25 en 19 aandelen.
In juli 1999 heeft een looncontrole over de jaren 1996 tot en met 2000
bij de vennootschap plaatsgevonden. De looninspecteur heeft daarbij
geconcludeerd dat nader onderzoek naar de verzekeringsplicht van
[appellant 2], [appellant 3], [vennoot] en [appellant 4] is vereist. Dit
onderzoek heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2001, waarbij is
geconcludeerd dat betrokkenen sedert 30 mei 1996 in privaatrechtelijke
dienstbetrekking werkzaam zijn.
[vennoot] heeft per 1 mei 2001 zijn werkzaamheden gestaakt en zijn
aandelen per 1 oktober 2001 overgedragen aan [appellant 3], [appellant
2] en [appellant 4], die vanaf dat moment 38 respectievelijk 38 en 24
aandelen bezitten.
Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft gedaagde aan de vennootschap
medegedeeld dat [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4]
vanaf 30 mei 1996 als verzekeringsplichtig voor de
werknemersverzekeringen worden beschouwd. Mede namens [appellant 3],
[appellant 2] en [appellant 4] heeft de vennootschap hiertegen bezwaar
gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 28 maart 2002 ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 28 maart 2002
ongegrond verklaard en daarbij onder meer overwogen dat het feit dat
[appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4] voorafgaande
aan de oprichting van de vennootschap in maatschapsverband werkzaam
waren en er in het feitelijk functioneren van de betrokkenen vóór en
na de oprichting geen wijziging is opgetreden, geen als zeer bijzonder
te kwalificeren omstandigheid oplevert op grond waarvan het
redelijkerwijs niet aannemelijk is dat uitoefening van gezag binnen de
algemene vergadering van aandeelhouders achterwege zal blijven.
Appellanten hebben het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.
De Raad overweegt als volgt.
Uit vaste jurisprudentie van de Raad (zoals blijkt uit de in USZ
1999/284 gepubliceerde uitspraak van de Raad van 1 juli 1999) volgt dat,
indien - zoals in het onderhavige geval - een directeur/aandeelhouder
van een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en
de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene
aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de
benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van
directeuren, in beginsel moet worden aangenomen dat hij werkzaam is in
een gezagsrelatie tot de besloten vennootschap.
Anderzijds kan van belang zijn dat uit alle feiten en omstandigheden
overigens voldoende materiële indicaties naar voren komen om aan te
nemen dat sprake is van het gezamenlijk drijven van een onderneming, ook
in situaties waarin niet alle betrokkenen volledig of nagenoeg volledig
gelijk participeren in het aandelenkapitaal.
Met de rechtbank en de door haar gegeven motivering is de Raad van
oordeel dat [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4]
werkzaam waren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Met het
betoog omtrent het ontbreken van een gezagsverhouding gaan appellanten
voorbij aan de vaste jurisprudentie van de Raad over dit onderwerp, die
in essentie hiervoor is weergegeven. Het beroep van appellanten op de in
RSV 1999/27 en RSV 2001/129 gepubliceerde uitspraken van de Raad slaagt
niet. De relevante feiten en omstandigheden van het bijzondere geval
zijn in beginsel bepalend voor het antwoord op de vraag naar de
gezagsverhouding. In beide genoemde uitspraken zijn die feiten en
omstandigheden wezenlijk anders dan in de onderhavige gedingen.
Gelet op hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt
de Raad voorts het volgende.
De door de fiscus afgegeven verklaringen arbeidsrelatie zijn eerst vanaf
1 januari 2003 geldig, zodat deze verklaringen voor de onderhavige
gedingen toepassing missen. Daarnaast maken deze verklaringen een
uitdrukkelijk voorbehoud ten aanzien van de vraag die in deze gedingen
aan de orde is.
De omstandigheid dat het huishoudelijk reglement waarnaar de rechtbank
heeft verwezen in haar uitspraak geen juridische status heeft, wil niet
zeggen dat daaraan geen betekenis toekomt. Naar ter zitting van de Raad
is gebleken hebben alle betrokkenen, zoals ook uit het huishoudelijk
reglement blijkt, ten tijde van belang directietaken vervuld. Dat deze
taken slechts een ondergeschikt deel van hun totale werkzaamheden
vormden, is niet van belang. Voor de Raad staat vast dat [appellant 3],
[appellant 2], [vennoot] en [appellant 4] ten tijde hier van belang
gehouden waren hun (ontwerp- en directie)werkzaamheden persoonlijk te
verrichten.
Uit de in USZ 2000/263 gepubliceerde uitspraak van de Raad volgt dat ook
van loon sprake is indien de vergoeding afhankelijk is gesteld van het
resultaat van de onderneming.
De vraag of appellanten hebben beoogd misbruik te maken van de sociale
werknemersverzekeringswetten is niet relevant bij de toetsing of sprake
is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3
van die wetten.
Dit geldt eveneens voor de gestelde belangen van [appellant 3],
[appellant 2], [vennoot] en [appellant 4].
Inzake het beroep van appellanten op undue delay onderschrijft de Raad
allereerst hetgeen de rechtbank heeft overwogen inzake de redelijke
termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Voorzover appellanten hebben beoogd aan te voeren dat gedaagde
onzorgvuldig heeft gehandeld door het onderzoek, waarvan in juli 1999 is
vastgesteld dat dit moest worden uitgevoerd, eerst in oktober 2001 uit
te voeren, verwijst de Raad naar zijn vaste jurisprudentie (zoals de in
RSV 2000/248 gepubliceerde uitspraak) waaruit volgt dat de verzekering
ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten van rechtswege
ontstaat en dat een schending van één of meer algemene beginselen van
behoorlijk bestuur daarbij geen rol kan spelen. Eerst in de fase van de
premievaststelling en/of premieheffing kan dit eventueel een rol spelen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellanten niet
slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een
proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van
Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli
2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|