|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/6668 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft drs. J.C. de Zeeuw, werkzaam bij Deloitte
Belastingadviseurs B.V., hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van
de rechtbank Maastricht van 10 november 2004, kenmerk 04/225.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 16 juni 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante heeft ten doel het ontwikkelen, produceren en bewerken van en
inkoop en verkoop van kunststofproducten alsmede het geven van adviezen
op het gebied van kunststoffen. Tot en met 31 december 2001 was 80% van
de aandelen van appellante middellijk in handen van [betrokkene]
(hierna: betrokkene). Betrokkene is tevens enig aandeelhouder van [de
besloten vennootschap 1]. Met ingang van 1 januari 2002 is [de besloten
vennootschap 2] enig aandeelhoudster van appellante. Appellante heeft op
1 januari 2002 met [de besloten vennootschap 1] een
managementovereenkomst gesloten. [de besloten vennootschap 1] is met
ingang van die datum benoemd tot statutair directeur van appellante.
Naar aanleiding van een Rapport Buitendienst Verzekeringsplicht heeft
gedaagde geconcludeerd dat betrokkene zijn werkzaamheden voor appellante
heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Bij besluit
van 11 september 2003 heeft gedaagde ten aanzien van betrokkene op grond
van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten ingaande 1
januari 2002 verzekeringsplicht aangenomen.
Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft gedaagde bij besluit van
14 januari 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 14 januari 2004 ingestelde
beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd
bestreden.
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht heeft
aangenomen dat tussen appellante en betrokkene een arbeidsverhouding
heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten meebrengt.
De Raad beantwoordt voormelde vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.
De Raad stelt voorop dat bij de beantwoording van voormelde vraag niet
doorslaggevend is hoe de arbeidsverhouding door de partijen zelf wordt
gekwalificeerd of wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst
hebben beoogd. Alle relevante feiten en omstandigheden van het geval
moeten in aanmerking worden genomen.
Naar het oordeel van de Raad zijn de drie essentiële kenmerken van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de verplichting tot
persoonlijke arbeidsverrichting, de loonbetalingsverplichting en de
gezagsverhouding in de arbeidsverhouding tussen appellante en betrokkene
aanwezig.
De Raad is van oordeel dat er in het onderhavige geval sprake is van een
verplichting tot persoonlijke dienstverrichting, aangezien het
appellante te doen is om de persoonlijke inzet van betrokkene, terwijl
hij de werkzaamheden daadwerkelijk persoonlijk heeft verricht.
Ten aanzien van het element van de verplichting tot loonbetaling is de
Raad van oordeel dat de aan betrokkene gedane betalingen een reële
contraprestatie voor de verrichte arbeid zijn.
De Raad is voorts van oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding
tussen appellante en betrokkene. Betrokkene dient verantwoording af te
leggen aan de Raad van Commissarissen. Hiertoe is er vier maal per jaar
een vergadering. Voorts vindt er iedere maand overleg plaats met de
Algemene Vergadering van Aandeelhouders (hierna: AVA) en is voor
uitgaven die een bepaald bedrag te boven gaan toestemming van de AVA
nodig.
De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat per 1 januari 2002
slechts een formele verandering heeft plaatsgevonden. Vóór die datum
kon betrokkene met zijn overwegende stem in de AVA immers zijn eigen
ontslag tegenhouden. Gelet op artikel 3 van de managementovereenkomst
kan appellante thans de overeenkomst met [de besloten vennootschap 1]
onder bepaalde voorwaarden eenzijdig beëindigen. Tevens kan de
aandeelhoudster van appellante, [de besloten vennootschap 2], haar stem
rechtsgeldig uitbrengen, ook in afwijking van de managementovereenkomst.
Met betrekking tot de door appellante aangevoerde omstandigheid dat
betrokkene als zelfstandige dient te worden aangemerkt, merkt de Raad op
dat zulks er niet aan in de weg staat dat betrokkene in de hier aan de
orde zijnde arbeidsverhouding met appellante en met betrekking tot de
voor appellante uitgevoerde werkzaamheden werkzaam was in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Derhalve komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M. Renden als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.
(get.) R.C. Stam.
(get.) M. Renden.
|
|