|
Uitspraak
04/4154 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op
17 juni 2004 met kenmerk 02/5390 door de rechtbank Amsterdam gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juni
2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.P.
Bourne, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde is verschenen in persoon,
bijgestaan door mr. R.A.I. Thuys, advocaat te Diemen.
II. MOTIVERING
Op 5 februari 1999 is tussen [de besloten vennootschap 1], waarvan
gedaagde directeur is, en [de besloten vennootschap 2] (hierna: [de
besloten vennootschap 2]) een overeenkomst gesloten tot het verrichten
van automatiseringswerkzaamheden in de periode 4 januari 1999 tot 4
april 1999 bij [naam besloten vennootschap 3] (hierna: [de besloten
vennootschap 3]). Bij nadere overeenkomst is de einddatum op 30 april
2000 bepaald.
Voorts zijn tussen [de besloten vennootschap 2] en [de besloten
vennootschap 3] overeenkomsten gesloten ter detachering van gedaagde bij
[de besloten vennootschap 3].
Op verzoek van gedaagde is namens appellant een onderzoek ingesteld naar
de vraag of deze werkzaamheden door gedaagde in een
verzekeringsplichtige arbeidsverhouding zijn verricht.
Naar aanleiding van dit onderzoek heeft appellant bij besluit van 24
juni 2002 verzekeringsplicht aangenomen ten aanzien van de werkzaamheden
die gedaagde heeft verricht bij [de besloten vennootschap 3]. Het door
gedaagde gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 oktober 2002 ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde
gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met bepalingen
terzake van griffierecht en proceskosten.
Daarbij is de rechtbank van de volgende partijstandpunten uitgegaan,
waarbij voor verweerder appellant en voor eiser gedaagde moet worden
gelezen:
“Verweerder heeft overwogen dat sprake is van de verplichting tot het
persoonlijk verrichten van arbeid, de verplichting voor de werkgever om
loon te betalen en dat sprake is van een gezagsverhouding tussen eiser
en de werkgever. Tevens heeft verweerder overwogen dat is voldaan aan
hetgeen is gesteld in artikel 7:690 BW en dat sprake is van een
overeenkomst tot uitzending. Eiser betwist dat sprake is van een
gezagsrelatie. In dit verband heeft hij naar voren gebracht dat hij is
aangetrokken vanwege zijn specialistische ervaring en dat hij bij de
door hem uitgevoerde werkzaamheden geen opdrachten of aanwijzingen heeft
ontvangen, noch van de projectleider van [de besloten vennootschap 3],
noch van [de besloten vennootschap 2]. Eiser heeft zich verder beroepen
op het Besluit verzekeringsplicht automatiseringsdeskundigen (hierna:
het Besluit) dat op 1 september 2000 in werking is getreden. De
werkzaamheden van eiser in de periodes 20 november 2000 tot en met 31
mei 2001 en van 11 juli 2001 tot en met 3 augustus 2001, die exact
gelijk zijn aan de werkzaamheden in de onderhavige periode, zijn
getoetst aan dit Besluit en als niet verzekeringsplichtig aangemerkt,
aldus eiser. (...) Volgens verweerder dient de onderhavige
arbeidsverhouding niet aan het Besluit te worden getoetst, maar aan de
artikelen 3, 4 en 5 van de sociale verzekeringswetten.”
De rechtbank heeft het volgende overwogen.
“Het enkele standpunt van verweerder dat het Besluit niet van
toepassing is op de litigieuze periode, is onvoldoende. Het Besluit is
immers geen algemeen verbindend voorschrift, maar een regeling
bevattende wetsinterpreterende beleidsregels. Nu artikel 3 van de
Sociale verzekeringswetten niet is gewijzigd en evenmin is gesteld of
gebleken dat aan het Besluit gewijzigde inzichten ten grondslag liggen
over de uitleg van dit artikel, valt niet in te zien dat de
werkzaamheden van eiser in de periodes 20 november 2000 tot en met 31
mei 2001 en van 11 juli 2001 tot en met 3 augustus 2001 als niet
verzekeringsplichtig zijn aangemerkt, terwijl voor de hier aan de orde
zijnde periode verzekeringsplicht is aangenomen en het blijkens de
stukken en het verhandelde ter zitting dezelfde werkzaamheden en
overeenkomsten betreft. Het is aan verweerder te onderzoeken of de
situatie in de periode 4 januari 1999 tot en met 30 april 2000 zich in
relevante mate onderscheidt van latere periodes en of in deze periode
sprake is van verzekeringsplicht. Het bestreden besluit is in zoverre
onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke
motivering, zodat het in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).”
Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank
terecht heeft opgemerkt dat het Besluit moet worden gezien als een
regeling met wetsinterpreterende beleidsregels, doch dat de onderhavige
arbeidsverhouding ziet op een periode gelegen voor 1 september 2000, de
dag waarop het besluit in werking is getreden. Deze arbeidsverhouding is
daarom terecht getoetst aan de uit de jurisprudentie voortvloeiende
kaders, waarbij appellant de verzekeringsplicht uiteindelijk heeft
gebaseerd op het bestaan van een met een privaatrechtelijke
dienstbetrekking gelijk te stellen uitzendovereenkomst als bedoeld in
artikel 7:690 van het BW. Appellant is van mening dat hij voorafgaand
aan het primaire besluit voldoende onderzoek heeft gepleegd.
In zijn verweerschrift heeft gedaagde aangevoerd dat ten onrechte geen
onderzoek is ingesteld naar zijn zelfstandigheid. Gedaagde handhaaft
zijn standpunt dat hij niet onder leiding en toezicht werkzaam is
geweest.
In het licht van zijn uitspraak van 29 april 2004, RSV 2004, 215,
overweegt de Raad het volgende.
De Raad stelt allereerst vast dat gedaagde krachtens een daartoe tussen
[de besloten vennootschap 3] en [de besloten vennootschap 2] gesloten
overeenkomst door [de besloten vennootschap 2] aan [de besloten
vennootschap 3] ter beschikking is gesteld teneinde krachtens opdracht
van [de besloten vennootschap 3] in haar onderneming arbeid te
verrichten, zodat sprake is van een arbeidsverhouding waarbij drie
partijen zijn betrokken. Op grond van de stukken is tevens voldoende
komen vast te staan dat [de besloten vennootschap 2] gedaagde ter
beschikking van [de besloten vennootschap 3] heeft gesteld in het kader
van de bedrijfsuitoefening van [de besloten vennootschap 2], zodat in
zoverre is voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een
uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Dit brengt
mee dat voor de vraag of binnen deze driepartijenrelatie sprake is van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet worden gelet op de
artikelen 7:610 en 7:690 van het BW, welke in hun onderlinge samenhang
in aanmerking dienen te worden genomen.
Een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt naar vaste rechtspraak
aanwezig geacht, indien is voldaan aan drie vereisten, te weten: een
verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, een verplichting tot
loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding. De vraag of is
voldaan aan deze vereisten moet worden beantwoord aan de hand van de
feitelijke omstandigheden waaronder de werkzaamheden worden verricht. In
geval van een uitzendsituatie moeten genoemde kenmerkende elementen van
een arbeidsovereenkomst worden gevonden binnen de driepartijenrelatie
welke kenmerkend is voor een uitzendovereenkomst.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Besluit
verzekeringsplicht automatiseringsdeskundigen (besluit van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, rechtsvoorganger van het Uwv, van 23
augustus 2000, Stcrt. 2000, 169), zonder terugwerkende kracht in werking
getreden op 1 september 2000, geen betrekking heeft op
arbeidsverhoudingen in een periode van voor de inwerkingtreding ervan,
wat er overigens van dit besluit zij. Dit brengt mee dat appellant met
juistheid los van dat beleid heeft beoordeeld of - van rechtswege -
sprake is van verzekeringsplicht aan de hand van de eerdergenoemde
wettelijke bepalingen.
Gelet op de zich in dit geval voordoende feiten en omstandigheden moet
worden aangenomen dat [de besloten vennootschap 2] de overeenkomst met
gedaagdes persoonlijke vennootschap heeft gesloten met het oog op de
persoonlijke kennis, kwaliteiten en ervaring van gedaagde en dat
gedaagde gehouden is geweest de arbeid bij [de besloten vennootschap 3]
persoonlijk te verrichten. Vervanging zonder toestemming van [de
besloten vennootschap 2] en instemming van [de besloten vennootschap 3]
was niet mogelijk. Feitelijk heeft vervanging zich ook niet voorgedaan.
Tevens moet worden aangenomen dat voor [de besloten vennootschap 2] de
verplichting gold tot loonbetaling aan gedaagde, in aanmerking genomen
dat gedaagde van [de besloten vennootschap 2] via zijn persoonlijke
vennootschap een afgesproken vaste vergoeding per gewerkt uur ontving.
Nu zoals hiervoor is overwogen, aan de andere vereisten van artikel
7:690 van het BW is voldaan, is voor de beoordeling van het bestaan van
een gezagsrelatie beslissend of gedaagde zijn werkzaamheden verrichtte
onder toezicht en leiding van [de besloten vennootschap 3]. Uit het door
appellant ingestelde onderzoek is naar het oordeel van de Raad voldoende
duidelijk geworden dat gedaagde in teamverband werkzaam is geweest en,
ofschoon hij in verband met zijn kennis en ervaring bij de uitvoering
van zijn automatiseringswerkzaamheden een ruime mate van
handelingsvrijheid zal hebben gehad, niettemin uiteindelijk gehouden was
om zich wat de voortgang van het project betreft te richten naar leiding
en toezicht van de door [de besloten vennootschap 3] aangestelde
projectleider. Daarnaast vond aansturing plaats via tweemaandelijkse
gesprekken met de zogenoemde fieldmanager van [de besloten vennootschap
2], die contact onderhield met de projectleider van [de besloten
vennootschap 3].
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de onderhavige
uitzendsituatie kan worden aangemerkt als een uitzendovereenkomst als
bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Gegeven dit oordeel is tevens
sprake van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen gedaagde
en [de besloten vennootschap 2], gebaseerd op artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten. Het voeren van een zelfstandige
onderneming behoeft volgens vaste jurisprudentie op zichzelf niet te
beletten, dat werkzaamheden in dienstbetrekking worden verricht. Er
bestond daarom geen indicatie een onderzoek in te stellen naar eventuele
zelfstandigheid van gedaagde.
De conclusie van de Raad is dat het hoger beroep slaagt en de
aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M. Renden.
|
|