|
Uitspraak
04/2740 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M.H. Feiken, advocaat te Tilburg, op daartoe
nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van
de rechtbank Arnhem van 31 maart 2004, kenmerk 02/1595.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 oktober
2005. Namens appellante zijn daar verschenen mr. Feiken, voornoemd,
bijgestaan door [naam directeur], directeur van appellante, en H.J.E.
Loeffen, werkzaam bij administratie- en belastingadviesbureau Loeffen
en De Bruijn te Wijchen. Namens gedaagde is verschenen mr. W. Zwanink,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Appellante heeft in de loop van 1999 voor het eerst personeel in dienst
genomen, waarbij indeling in een risicopremiegroep heeft plaatsgevonden
door gedaagde. In september/oktober 2000 is een (tweede) aansluiting bij
een (andere) risicopremiegroep gerealiseerd.
In juli 2001 heeft nader onderzoek door gedaagde bij appellante aan het
licht gebracht dat het zogeheten uitzendbeding dat van kracht was voor
een aantal sedert september 1999 voor appellante werkzame personen, per
1 maart 2000 zijn gelding heeft verloren en dat die personen per die
datum bij een andere risicopremiegroep ondergebracht hadden moeten
worden.
Bij besluit van 27 juli 2001 heeft indeling van deze werknemers in de
risicopremiegroep uitzendkrachten zonder uitzendbeding plaatsgevonden
per 1 januari 2001. Bij besluit op bezwaar van 28 juni 2002 (hierna: het
bestreden besluit) is die ingangsdatum gehandhaafd.
Hangende het beroep bij de rechtbank heeft gedaagde de aan het bestreden
besluit ten grondslag liggende motivering gewijzigd, zonder dat dit
gevolgen had voor de ingangsdatum van de indeling in de
risicopremiegroep uitzendkrachten zonder uitzendbeding.
De rechtbank heeft daarop het beroep gegrond verklaard en het bestreden
besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Appellante heeft de juistheid van het oordeel van de rechtbank
gemotiveerd bestreden.
De Raad overweegt als volgt.
Partijen verschillen uitsluitend van mening over het antwoord op de
vraag of de bij het bestreden besluit gehanteerde ingangsdatum van de
indeling in de risicopremiegroep uitzendkrachten zonder uitzendbeding
door gedaagde terecht op
1 januari 2001 is gehandhaafd. In dit verband wordt alleen de door de
rechtbank uitgesproken instandlating van de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit door appellante bestreden.
Ter zitting van de Raad is namens gedaagde de aan het bestreden besluit
ten grondslag liggende motivering wederom gewijzigd. Daarbij is
aangevoerd dat de ingangsdatum van 1 januari 2001 berust op artikel 12
van het Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector
Uitzendbedrijven (Stcrt. 2001, 47), waarin is bepaald dat dit besluit in
werking treedt twee dagen na publicatie in de Staatscourant en
terugwerkt tot 1 januari 2001. Voorafgaand aan deze datum kan geen
toepassing worden gegeven aan dit besluit, aldus gedaagde.
Uit het dossier blijkt volgens gedaagde voorts niet dat een verzoek is
gedaan om op grond van het Besluit vaststelling wachtgeldpremie 1999
voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding (Stcrt. 1999, 88) een nieuwe
verzekeringsrelatie voor de risicopremiegroep detachering te
bewerkstelligen. Volgens gedaagde kan dit verzoek alsnog worden gedaan.
Met gedaagde is de Raad van oordeel dat de toepassing van het Besluit
premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven niet
verder terug kan werken dan 1 januari 2001. De Raad deelt echter niet
het standpunt van gedaagde dat appellante in juli 2001 geen verzoek zou
hebben gedaan ingaande 1 maart 2000 indeling in de risicopremiegroep
detachering te bewerkstelligen. Uit de opgemaakte verslagen van de op 22
juni en 12 juli 2001 gevoerde gesprekken met appellante kan de Raad niet
anders concluderen dan dat het de wens van appellante was dat de
werknemers waarvoor het uitzendbeding zijn gelding had verloren vanaf 1
maart 2000 zouden worden ingedeeld in de risicopremiegroep die op hen
van toepassing was. Geoordeeld moet dan ook worden dat het bestreden
besluit geen volledige en adequate reactie vormt op het verzoek van
appellante.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de rechtbank
ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
heeft gelaten. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden vernietigd,
voorzover aangevochten.
De Raad ziet tevens aanleiding gedaagde te veroordelen tot betaling van
de proceskosten die appellante in verband met het hoger beroep
redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden begroot op € 644,--
wegens verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van hetgeen de Raad in deze
uitspraak heeft overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van
appellante;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door
appellante betaalde griffierecht ad € 409,-- aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. L.J.A. Damen als leden, in
tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 17 november 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) M. Renden.
|
|