|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/370 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 oktober 2002 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen een correctienota van 17 juli 2002 over de
periode 1 januari 2002 tot 15 januari 2002 en tegen een daarmee
samenhangende boetenota van 22 juli 2002 over het jaar 2000.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 15 december 2004,
registratienummer 02/5284, het namens gedaagde tegen dat besluit
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de
besluiten van 17 juli 2002 en 22 juli 2002 herroepen, bepaald dat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het door gedaagde
betaalde griffierecht vergoedt en appellant veroordeeld in de
proceskosten van gedaagde.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 24 februari 2005 van
die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 september
2005, waar voor appellant is verschenen mr. M.J. Beelen, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde zich niet heeft
laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Aan de bij het in rubriek I vermelde besluit van 23 oktober 2002 ligt
ten grondslag het standpunt van appellant dat de heren [werknemer 1] en [werknemer 2] in de periode van 1 januari 2002 tot 15
januari 2002 in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding voor
gedaagde werkzaam zijn geweest en gedaagde dan ook premies voor de
sociale werknemersverzekeringswetten had moeten afdragen.
Dit standpunt had appellant al ingenomen naar aanleiding van een in mei
2000 bij gedaagde uitgevoerde looncontrole over de jaren 1996 tot en met
1999. Op basis hiervan heeft appellant gedaagde correctie- en
boetenota’s over deze jaren doen toekomen, welke nota’s appellant na
gemaakt bezwaar door gedaagde bij besluit van 18 juli 2001 heeft
gehandhaafd.
Laatstvermeld besluit heeft de rechtbank bij uitspraak van 11 juli 2003
vernietigd.
Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder verwijzing
naar haar uitspraak van 11 juli 2003 geoordeeld dat de
verzekeringsplicht van beide heren onvoldoende vaststaat en dat gelet
hierop ook het besluit van 23 oktober 2002 voor vernietiging in
aanmerking komt.
Hangende het hoger beroep van appellant tegen deze uitspraak heeft de
Raad bij uitspraak van 3 februari 2005 beslissende op het daartegen door
appellant ingestelde hoger beroep de uitspraak van de rechtbank van 11
juli 2003 vernietigd en het beroep van gedaagde tegen het besluit van 18
juli 2003 slechts in zoverre gegrond verklaard dat de daarbij
gehandhaafde boetenota’s dienen te worden verminderd naar 37,5 % van
de verschuldigde premie. Bij deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat
appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat beide heren
verplicht verzekerd zijn voor de sociale werknemersverzekeringswetten.
De opgelegde boetes heeft de Raad verminderd in verband met de
inwerkingtreding van een voor gedaagde gunstiger boeteregime.
Nu gesteld, noch gebleken is dat beide heren in de periode waarop
appellants besluit van 23 oktober 2002 ziet, ten opzichte van de jaren
daarvoor in een gewijzigde arbeidsrelatie voor gedaagde werkzaam zijn
geweest, komt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 3
februari 2005 ook in dit geding tot het oordeel dat gedaagde over de aan
de heren verrichte betalingen premies had moeten inhouden.
Nu voorts moet worden vastgesteld dat de opgelegde boete 37,5% bedraagt
van de verschuldigde premie, volgt uit het vorenstaande dat het hoger
beroep slaagt, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en
het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van mr. A.
Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november
2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A. Kovács.
|
|