|
Uitspraak
04/2226 ALGEM en 04/2227 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 9 december 2002 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 10 oktober 2001, waarbij
appellant onder intrekking van zijn besluit van 10 november 2000 de
heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verplicht verzekerd voor de
sociale werknemersverzekeringswetten heeft geacht voor de werkzaamheden
die zij vanaf 1992 ten behoeve van gedaagde verricht(t)en.
Bij besluit van eveneens 9 december 2002 heeft appellant ongegrond
verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 12 oktober
2001, waarbij appellant heeft geweigerd terug te komen van zijn
besluiten van 23 en 28 december 1998, inhoudende correctie- en
boetenota’s over de jaren 1993 tot en met 1997.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 23 maart 2004,
registratienummers 03/169 en 03/220, de namens gedaagde tegen deze
besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten
vernietigd, bepaald dat appellant binnen dertien weken na de datum van
de verzending van deze uitspraak nadere besluiten neemt met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, bepaald dat het Uwv de door
gedaagde betaalde griffierechten vergoedt en appellant veroordeeld in de
proceskosten van gedaagde.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 26 mei 2004 aangevoerde
gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. E. van Waaijen, werkzaam bij Du Vent Advies B.V.,
een verweerschrift, gedateerd 13 augustus 2004, ingediend.
Bij brief van 23 mei 2005 zijn namens gedaagde nadere stukken
ingezonden.
Bij faxbericht van 29 mei 2005 is namens gedaagde nader gereageerd op
het aanvullend beroepschrift van appellant.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 juni
2005, waarbij voor appellant is verschenen mr. H.J. Gansekoele, werkzaam
bij het Uwv, en waar voor gedaagde zijn verschenen mr. Van Waaijen en
[betrokkene 2], voornoemd.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een op 25 juni 1998 uitgevoerde looncontrole,
waarvan rapport is opgemaakt op 3 december 1998, heeft appellant
gedaagde correctie- en boetenota’s doen toekomen over de jaren 1993
tot en met 1997, gedateerd 23 en 28 december 1998. Deze nota’s zien in
hoofdzaak op niet afgedragen premies over de betalingen verricht aan
twee directieleden van gedaagde, de heren [betrokkene 1] en [betrokkene
2]. Aan de nota’s ligt het standpunt van appellant ten grondslag dat
beide heren verplicht verzekerd zijn voor de sociale
werknemersverzekeringswetten.
Bij besluit van 7 april 1999 heeft appellant de bezwaren van gedaagde
tegen deze nota’s niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 27
juni 2000 heeft de rechtbank het tegen dat besluit door gedaagde
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 oktober 2001
heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Hangende de procedure met betrekking tot voormelde nota’s is namens de
heren Ghijben en Menger bij brief van 26 juli 1999 aan appellant
verzocht hun arbeidsverhouding tot gedaagde te beoordelen. Blijkens deze
brief stellen zij zich op het standpunt dat er geen sprake is van een
verzekeringsplichtige arbeidsverhouding. Naar aanleiding van dit verzoek
heeft een inspecteur van appellant op 25 april 2000 een gesprek gehad
met de gemachtigde van beide heren alsmede met een vertegenwoordiger van
gedaagde. Van zijn bevindingen heeft de inspecteur op 2 oktober 2000
rapport opgemaakt. De inspecteur heeft daarin voorgesteld om geen
verplichte verzekering aan te nemen, onder meer op de grond dat geen
financiële schade is geleden omdat beide heren geen aanvraag om een
uitkering hebben ingediend. Bij besluit van 10 november 2000, gericht
aan gedaagde, heeft appellant, beide heren voor en na 1 oktober 1994
niet verplicht verzekerd geacht voor de sociale
werknemersverzekeringswetten, omdat een gezagsverhouding ontbreekt.
Vervolgens heeft gedaagde bij brief van 30 januari 2001 appellant
verzocht om de correctie- en boetenota’s in te trekken. Bij besluit
van 10 oktober 2001 heeft appellant zijn besluit van 10 november 2000
ingetrokken. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 12 oktober 2001
afwijzend beslist op het verzoek van 30 januari 2001 van gedaagde.
Bij de in rubriek I vermelde besluiten van 9 december 2002 heeft
appellant zijn besluiten van 10 en 12 oktober 2002 gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten
van 9 december 2002 door gedaagde ingestelde beroepen gegrond verklaard.
Daarbij heeft de rechtbank allereerst overwogen dat appellant met zijn
besluit van 10 oktober 2001 ten nadele van gedaagde is teruggekomen van
het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 10 november 2000. Gelet
op de vaste jurisprudentie van de Raad dat een bestuursorgaan niet
gerechtigd is om ten nadele van een betrokkene terug te komen van een
rechtens onaantastbaar besluit, indien niet is komen vast te staan dat
dit besluit zonder meer onjuist is, dient naar het oordeel van de
rechtbank beoordeeld te worden of appellant zich terecht op het
standpunt heeft gesteld dat het besluit van 10 november 2000 zonder meer
onjuist is, omdat Menger en Ghijben vanaf 1 januari 1992 ten behoeve van
gedaagde in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn
geweest. Vervolgens is de rechtbank voor wat betreft de periode van 1
januari 1992 tot 1 oktober 1994 tot het oordeel gekomen dat Menger en
Ghijben hun werkzaamheden hebben verricht als gezamenlijke ondernemers.
Van een gezagsverhouding is geen sprake geweest. Voor wat betreft de
periode 1 oktober 1994 tot 1 oktober 1997 is de rechtbank tot het
oordeel gekomen dat van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking
onvoldoende is gebleken.
Appellant kan zich hiermede niet verenigen. Daartoe heeft hij aangevoerd
dat met betrekking tot het besluit van 10 oktober 2001 niet gezegd kan
worden dat daarmee ten nadele van gedaagde is teruggekomen van het
besluit van 10 november 2000, nu het te dezen gaat om de
verzekeringsplicht van beide heren, welke plicht van rechtswege
ontstaat. In de visie van appellant is het besluit van 10 oktober 2001
een neutraal besluit. Voorts heeft appellant gesteld dat het besluit van
10 november 2000 wel degelijk evident onjuist was. Met betrekking tot
het besluit van 12 oktober 2001 heeft appellant aangevoerd, dat ook al
is hij ten onrechte teruggekomen van zijn besluit van 10 november 2000,
zulks nog niet behoeft te betekenen dat de opgelegde correctie- en
boetenota’s dienen te vervallen. Daarbij heeft appellant onder
verwijzing naar jurisprudentie van de Raad met betrekking tot
herzieningsverzoeken (uitspraken van 4 december 2003 (USZ 2003/52), 24
december 2003 (RSV 2004/90), 30 maart 2004 (USZ 2004/180) en 20 april
2004 (RSV 2004/258)) gesteld dat wanneer er geen sprake is van nieuw
gebleken feiten en omstandigheden - en daarvan is naar de mening van
appellant in het geval van gedaagde niet gebleken - zonder nader
onderzoek zodanig verzoek mag worden afgewezen onder verwijzing naar het
besluit, waarvan herziening is verzocht. Een toets naar de evidente
onjuistheid van het laatstbedoelde besluit behoeft niet plaats te
vinden.
De Raad is van oordeel dat het besluit van 10 november 2000 als onjuist
moet worden aangemerkt, althans dit besluit moet op een vergissing
hebben berust. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat, nog
daargelaten dat het verzoek van 26 juli 1999 is gedaan namens beide
heren en niet door gedaagde, bij dat verzoek geen melding is gemaakt van
het gegeven dat de arbeidsverhouding al was beoordeeld en die
beoordeling ook had geresulteerd in het opleggen van correctie- en
boetenota’s over de jaren 1993 en 1997. De Raad meent dat het op de
weg van de verzoeker had gelegen om dit te vermelden. Niet volstaan kon
worden met een verzoek om de arbeidsverhouding te beoordelen. Verzocht
had moeten worden om deze verhouding nogmaals te beoordelen, dan wel om
terug te komen van de eerdere beoordeling vervat in het
looncontrolerapport van 3 december 1998. Uit het rapport van 2 oktober
2000 blijkt niet dat dit looncontrolerapport mede in de beoordeling is
betrokken. De Raad wijst er hierbij op dat de inspecteur in zijn rapport
van 2 oktober 2000 heeft vermeld dat hij heeft gevraagd waarom pas na
jaren om een beoordeling van de arbeidsverhouding wordt gevraagd, en als
antwoord heeft gekregen dat er altijd vanuit is gegaan dat er geen
sprake was van verzekeringsplicht, doch dat beide heren thans behoefte
hebben aan zekerheid over hun verleden. Voorts wijst de Raad op de
redengeving, vervat in het rapport van 2 oktober 2000, om geen
verzekeringsplicht aan te nemen. De Raad houdt het ervoor dat pas na het
besluit van 10 november 2000, welk besluit overigens niet vermeldt dat
is teruggekomen van de eerdere beoordeling, en in het bijzonder na het
verzoek van gedaagde van 30 januari 2001 appellant is gebleken dat de
arbeidsverhouding al was beoordeeld. Onder de hier vermelde
omstandigheden acht de Raad geen rechtsgrond aanwezig voor het oordeel
dat appellant niet mocht terugkomen van zijn besluit van 10 november
2000.
Het vorenstaande brengt met zich dat, naar appellant terecht onder
verwijzing naar de door hem genoemde uitspraken van de Raad heeft
gesteld, de vraag moet worden beantwoord of er sprake is van nieuw
gebleken feiten en omstandigheden, en, zo ja, of daarin appellant
aanleiding had moeten zien om terug te komen van zijn eerdere
besluitvorming, in het bijzonder de aan gedaagde opgelegde correctie- en
boetenota’s over de jaren 1993 tot en met 1997. Reeds omdat er naar
het oordeel van de Raad geen sprake is van nieuw gebleken feiten en
omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande
gehouden dat appellant niet in redelijkheid tot zijn besluiten van 9
december 2002 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft
gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of
met een algemeen rechtsbeginsel.
De conclusie uit het hiervoor overwogene is dat onder vernietiging van
de aangevallen uitspraak de inleidende beroepen alsnog ongegrond moeten
worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22
december 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|