|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/928 ALGEM en 05/929 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante 1], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante 1, en
[appellante 2], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante 2,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij beroepschrift van 10 februari 2005 heeft mr. D.J.A. Smit, advocaat
te Etten-Leur, als gemachtigde van appellantes op bij aanvullende
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door
de rechtbank Middelburg op 4 januari 2005, kenmerk 04/418 en 04/421,
tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 10 november 2005, waar namens appellantes zijn verschenen hun
directeur, J.T. Reitsma, en voormelde gemachtigde, en waar voor gedaagde
is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellantes zijn dochters in een concern dat zich - blijkens de
registratie in het Handelsregister - richt op het uitoefenen van
logistieke dienstverlening in het algemeen en in het bijzonder de
ondersteuning aan verladers van temperatuurconditioneerde
voedingsmiddelen, siergewassen en andere producten. Ten behoeve van
appellante 1 heeft [betrokkene] (hierna: betrokkene), handelend onder de
naam [handelsnaam], met ingang van 1 april 2002 ingevolge een
freelanceovereenkomst werkzaamheden verricht, bestaande uit het
verrichten van verkoopactiviteiten ten dienste van de logistieke
activiteiten van appellante 1 en het geven van
commercieel-organisatorische ondersteuning aan de oprichting van een
nieuwe expeditieafdeling. Voorts heeft betrokkene
bemiddelingswerkzaamheden verricht voor appellante 2.
Bij besluiten van 8 oktober 2003 heeft gedaagde de arbeidsverhouding
tussen appellantes en betrokkene als een privaatrechtelijke
dienstbetrekking aangemerkt en betrokkene verplicht verzekerd geacht
ingevolge de werknemersverzekeringswetten. Na gemaakt bezwaar zijn deze
besluiten bij besluiten van 14 mei 2004 gehandhaafd. De rechtbank heeft
de beroepen van appellantes tegen de besluiten op bezwaar ongegrond
verklaard.
Appellantes hebben in hoger beroep gemotiveerd het oordeel van de
rechtbank bestreden.
De Raad overweegt als volgt.
Op grond van zijn vaste jurisprudentie is de Raad evenals de rechtbank
van oordeel dat sprake is van een persoonlijke arbeidsverplichting en
voorts dat betrokkene loon ontving. Betrokkene heeft de werkzaamheden
immers persoonlijk verricht en vervanging heeft zich niet voorgedaan.
Dat het betrokkene vrijstond zich te laten vervangen is door appellantes
niet aangetoond en ook anderszins niet gebleken. De maandelijkse
vergoeding die aan betrokkene voor zijn werkzaamheden door appellantes
werd betaald moet worden aangemerkt als een reële tegenprestatie. Dat
sprake zou zijn van maandelijkse voorschotten maakt dit niet anders.
Voorts is de Raad van oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding
tussen appellantes en betrokkene. De Raad ziet voldoende aanwijzingen
voor mogelijke gezagsuitoefening door appellantes in het feit dat
betrokkene, in elk geval in 2002, vrijwel dagelijks op het kantooradres
van appellantes was, fulltime werkte en deelnam aan MT-vergaderingen. In
dit verband is mede van belang dat appellantes en betrokkene blijkens
het verslag van de hoorzitting van 8 april 2004 hebben verklaard dat
appellantes het aanspreekpunt voor klanten zijn in geval van klachten
over werkzaamheden van betrokkene. Voorts is ter hoorzitting verklaard
dat betrokkene slechts belast is met het aantrekken van klanten en het
voeren van de beginonderhandelingen, waarna appellantes het contracteren
en het onderhouden van de contacten met cliënten overnemen. Hieruit
blijkt naar het oordeel van de Raad dat de werkzaamheden van betrokkene
zijn ingebed in de organisatie van appellantes. Voorts is de Raad van
oordeel dat de werkzaamheden van betrokkene een essentieel onderdeel van
de bedrijfsvoering van appellantes vormen, nu deze passen in appellantes
bedrijfsomschrijving en een onderdeel vormen van de dienstverlening van
appellantes. Dat betrokkenes werkzaamheden geen deel uitmaken van de
belangrijkste activiteit van appellantes, te weten het geconditioneerde
vervoer, zoals ter zitting gesteld, doet naar het oordeel van de Raad
aan dit oordeel niet af.
Uit het voorgaande volgt dat sprake is van een arbeidsverhouding die de
essentiële kenmerken vertoont van de privaatrechtelijke
dienstbetrekking. Gedaagde heeft derhalve terecht besloten dat
betrokkene ter zake van zijn werkzaamheden voor appellantes verplicht
verzekerd is. De eventuele zelfstandigheid van betrokkene en het feit
dat betrokkene beschikt over een Verklaring Arbeidsrelatie met ingang
van 1 april 2002 hebben in dit verband naar vaste jurisprudentie van
deze Raad geen betekenis.
De Raad komt tot de slotsom dat de rechtbank de beroepen van appellantes
terecht ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak moet
worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans in
tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 24 november 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) A. Kovács.
|
|