|
Uitspraak
04/2820 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.F.M. Verhey, advocaat te Amsterdam, op
daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 26 april 2004, kenmerk 03/197.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 november
2005. Namens appellante is verschenen mr. Verhey, voornoemd, en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen
door mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
De Raad volstaat thans met het volgende.
Enig aandeelhouder en directeur van appellante was A. [K.] (verder te
noemen: [K.]). In 2000 is [K.] met P. [K.] en M.C.H.R. [V.] (verder te noemen: [K.] en [V.]) overeengekomen
dat zij per 1 april 2000 ieder 20% van de aandelen van appellante zullen
overnemen. Per 1 april 2003 zal [K.] aan [K.] en [V.] nogmaals 10% van
de aandelen van appellante overdragen en de resterende 40% van de
aandelen zullen op een door [K.] te bepalen tijdstip, maar niet later
dan 1 april 2005, aan [K.] en [V.] te koop worden aangeboden. [K.] was
in 2000 al als werknemer in dienst van appellante en [V.], die werkzaam
was als zelfstandig houthandelaar, is per 1 april 2000 in dienst
getreden van appellante. Een en ander is neergelegd in een
intentieverklaring. Op 24 mei 2000 heeft [K.] aan zowel [K.] als [V.]
20% van de aandelen van appellante overgedragen, op 15 november 2001
heeft de algemene vergadering van aandeelhouders het ontslag van [K.]
als directeur aanvaard en zijn [K.] en [V.] als directeur van appellante
benoemd, waarna [K.] op 16 november 2001 de resterende aandelen van
appellante aan [K.] en [V.] heeft overgedragen.
Gedaagde is van oordeel dat [K.] en [V.] gedurende de periode van 1
april 2000 tot en met 15 november 2001 tot appellante in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking hebben gestaan, als gevolg waarvan
zij verplicht verzekerd waren ingevolge artikel 3 van de
werknemersverzekeringswetten.
De rechtbank heeft dat standpunt onderschreven en daartoe overwogen dat
[K.] en [V.] geen doorslaggevende invloed op hun ontslag hadden.
Appellante heeft de juistheid van het oordeel van de rechtbank
gemotiveerd bestreden en heeft bepleit dat er zodanige bijzondere
omstandigheden zijn aan te wijzen dat niet gesproken kan worden van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Raad overweegt als volgt.
Ten tijde hier van belang waren [K.] en [V.] geen statutair directeur.
Dat betekent dat zij niet onder (direct) gezag van de algemene
vergadering van aandeelhouders staan, maar onder het gezag van het
bestuur (in casu [K.]). Naar de Raad in de uitspraak van 23 december
2004 (LJN AR8564) heeft overwogen staat dit gegeven (reeds) in de weg
aan het aannemen van gezamenlijk ondernemerschap.
Ook overigens is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat een
gezagsverhouding afwezig was. [K.] was ook voor 1 april 2000 in
loondienst werkzaam bij appellante. Het enkele feit dat hij per 24 mei
2000 20% van de aandelen heeft verworven brengt geen wezenlijke
verandering in zijn - ondergeschikte - positie.
De situatie van [V.] wordt niet anders beoordeeld. Hij was weliswaar tot
1 april 2000 werkzaam als zelfstandige, maar ook hij heeft per 24 mei
2000 slechts 20% van de aandelen van appellante verworven, zonder een
functie in het bestuur van appellante te bekleden. Van een in wezen
gelijkwaardige positie tussen enerzijds [K.] en anders [K.] en [V.] kan
dan ook, ten tijde hier van belang, niet worden gesproken. In dat
opzicht acht de Raad ook kenmerkend dat in de intentieverklaring, die
overigens nimmer is ondertekend, gesproken wordt van het feit dat [V.]
per 1 april 2000 in dienst treedt van appellante.
Tot slot overweegt de Raad dat het enkele feit dat de relatiebeheerder
van gedaagde in het rapport van 1 augustus 2000 heeft vermeld van mening
te zijn dat [K.] en [V.] niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking
werkzaam waren het voorgaande niet anders maakt. Gedaagde is hieraan
immers niet gebonden.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 5 januari 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|