|
Uitspraak
04/3787 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.R. Netze hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Zwolle van 15 juni 2004 met kenmerk 03/292.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 3 november 2005, waar namens
appellante zijn verschenen mr. W.J. van Welsem, als belastingadviseur
verbonden aan KPMG Meijburg & Co te Zwolle, en Ch. A. [v.d. S.], en
waar gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad
volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het
hoger beroep van belang zijnde gegevens.
Gedaagde heeft aan appellante over de jaren 1997 tot en met 2002
correctienota’s en over de jaren 1997 tot en met 2001 boetenota’s
opgelegd. Aan deze nota’s ligt - voorzover hier van belang - primair
het standpunt van gedaagde ten grondslag dat de betalingen welke
appellante in die jaren heeft gedaan aan Ch. A. [v.d. S.], G.J. [d. V.],
L.K. [A.], A.B. [v.d. B.] en H.A. [H.] (hierna: betrokkenen) betrekking hebben op
werkzaamheden welke zij voor appellante hebben verricht in het kader van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten. Gedaagde heeft de tegen voormelde
nota’s gemaakte bezwaren bij besluit van 30 januari 2003 ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 30 januari 2003 ongegrond verklaard. Zij heeft in de eerste
plaats vastgesteld dat niet in geschil is dat betrokkenen hun arbeid
persoonlijk dienden te verrichten en er een verplichting tot
loonbetaling bestond. De vraag of tevens sprake is van een
gezagsverhouding heeft zij op in de uitspraak uiteengezette gronden
bevestigend beantwoord. Samengevat houdt het oordeel van de rechtbank in
dat [v.d. S.] als directeur en middellijk aandeelhouder van 25% van de
aandelen tegen zijn wil door de algemene vergadering van aandeelhouders
(AVA) kon worden ontslagen, en dat het beroep op de
intentieovereenkomst, de aandeelhoudersovereenkomst en de
managementovereenkomst dat niet anders maakt;
a) [d. V.] geen stem had in de AVA en gelet op zijn feitelijke positie
en de aard van zijn werkzaamheden binnen appellante aan
gezagsuitoefening onderhevig was;
b) appellante aan [A.] en [v.d. B.] na de verkoop en overdracht van hun
bedrijf gezien de inhoud van de adviseursovereenkomst met appellante
aanwijzingen kon geven welke zij dienden op te volgen;
c) ten aanzien van [H.], die na de verkoop van zijn aandelen behalve
activiteiten in het kader van die overdracht onder meer
acquisitiewerkzaamheden voor appellante bleef verrichten, geen
aanleiding bestaat om een uitzondering aan te nemen op de algemene
stelregel dat sprake is van een gezagsverhouding als het ontslag niet
kan worden tegengehouden.
De rechtbank is voorts van oordeel dat gedaagde op goede gronden over de
jaren 1997 tot en met 2002 correctienota’s heeft opgelegd, dat
gedaagde ten aanzien van de boeten over de jaren 1997 tot en met 2001
terecht opzet dan wel grove schuld heeft aangenomen en dat deze boeten
de rechterlijke toets kunnen doorstaan.
In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de uitspraak van de
rechtbank bestreden, behoudens voorzover deze ziet op de
verzekeringsplicht van [B.].
De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank en de
overwegingen die zij aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. In de
in hoger beroep door appellante aangevoerde beroepsgronden heeft hij
geen aanleiding gevonden om de uitspraak van de rechtbank - voorzover
aangevochten - voor onjuist te houden.
In dit verband overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij appellante
niet kan volgen in haar opvatting dat de rechtbank een te beperkte
maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling of sprake is van een
gezagsverhouding. Anders dan appellante meent, staat de omstandigheid
dat betrokkenen de hoedanigheid van zelfstandige zouden hebben er niet
aan in de weg dat hun arbeidsverhouding met appellante als een
privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt aangemerkt.
Appellante heeft in hoger beroep omstandigheden naar voren gebracht ter
ondersteuning van haar stelling dat redelijkerwijs niet aannemelijk is
dat betrokkenen hun werkzaamheden in dienstbetrekking tot appellante
hebben verricht. Daarin heeft de Raad echter onvoldoende
aanknopingspunten gevonden om in de gevallen van betrokkenen geen
gezagsverhouding aanwezig te achten.
De door appellante ten aanzien van [v.d. S.] gemaakte vergelijking met
de uitspraak van de Raad van 25 mei 2000,
LJN AE8563, gaat naar het oordeel van de Raad niet op omdat het in die
uitspraak berechte geval in zoverre verschilde van het onderhavige dat
daarin onder meer sprake was van een stemovereenkomst met een
arbitrageregeling betreffende het uitbrengen van een stem in de AVA
alsmede een onomkeerbare verkoop van alle aandelen aan de betrokken
minderheidsaandeelhouder waarvan de overdracht binnen een kort
tijdsbestek zou plaatsvinden. [H.] en [v.d. S.] waren gelet op hun aandelenverhouding (75% / 25%) niet als
nevengeschikt te beschouwen en evenmin aan te merken als gezamenlijk
ondernemer. Dit geldt temeer voor [d. V.], die wel lid was van het
managementteam maar aandeelhouder noch directeur was. De Verklaring
Arbeidsrelatie waarover [d. V.] vanaf 2002 beschikte staat niet in de
weg aan het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Het betoog over het gezamenlijke ondernemerschap van [A.] en [v.d. B.]
gaat eraan voorbij dat hun onderneming inclusief het klantenbestand
volledig is opgegaan in appellante en dat zij gelet op de inhoud van de
met appellante gesloten adviseurschapovereenkomst en de aard van hun
werkzaamheden als relatiebeheerder onder gezag van appellante stonden.
De Raad stelt ten slotte ten aanzien van [H.] vast dat deze na de
overdracht van zijn aandelen in appellante aan Fitacc Accountants,
waarvan hij geen vennoot is, geen zeggenschap meer had in appellante.
Gelet op de voorwaarden waaronder hij werkzaamheden voor appellante is
blijven verrichten en de in het looncontrole rapport beschreven inhoud
van zijn takenpakket, moet worden geoordeeld dat hij onder gezag van
appellante werkzaam was en onder omstandigheden ook zou kunnen worden
ontslagen. De omstandigheid dat [H.] eigenaar bleef van de
bedrijfspanden en aan appellante / Fitacc een aanzienlijke lening heeft
verstrekt, acht de Raad ontoereikend om tot een ander oordeel te komen.
Met betrekking tot de opgelegde boeten overweegt de Raad dat de
werkgever zich er in het algemeen van bewust zal moeten zijn welke
loonopgave hij moet doen. In geval van onzekerheid behoort het tot diens
verantwoordelijkheid om informatie in te winnen bij het bestuursorgaan.
Overtreding van de loonopgaveverplichting is daarom ten minste als een
ernstige nalatigheid te kwalificeren en derhalve te wijten aan grove
schuld van de werkgever. Dit is slechts anders indien de werkgever
omstandigheden aanvoert en zonodig aannemelijk maakt, waaruit volgt dat
de overtreding niet aan zijn grove schuld is te wijten. De door
appellante daartoe aangevoerde omstandigheden zijn in dit verband
ontoereikend.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak - voorzover
aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 5 januari 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|