|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/5424 ALGEM
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 juli 2005, 04/1438
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 30 maart 2006, waar
appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeur
[directeur], haar administrateur [administrateur] en bijgestaan door
J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein.
Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. N.M.D. van Beek.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in geding zijn geschil wordt beoordeeld aan
de hand van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten
tijde in geding.
De activiteiten van appellante bestaan uit het ter beschikking stellen
van arbeidskrachten, het verrichten van arbeidsbemiddeling, op het gebied van
werktuigbouwkundige activiteiten, alsmede het verrichten van diensten
terzake. Uit een bij appellante op 5 december 2003 gehouden looncontrole zijn blijkens het
looncontrolerapport ten aanzien van de verzekeringsplicht geen
bijzonderheden geconstateerd. In het kader van een
zelfstandigheidsonderzoek heeft het Uwv gesproken met [betrokkene]
(hierna: [betrokkene]) die in de periode februari 2002 tot en met
oktober 2003 werkzaamheden voor appellante heeft verricht. De inspecteur
buitendienst heeft hieruit de conclusie getrokken dat er sprake was van
loon, het persoonlijk verrichten van arbeid en een gezagsverhouding.
Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het Uwv appellante bericht
[betrokkene] met ingang van 1 februari 2002 verzekeringsplichtig voor de werknemersverzekeringen te
beschouwen, omdat voldaan wordt aan de voorwaarden voor het aannemen van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Bij besluit op bezwaar van 23
juni 2004 heeft het Uwv dit besluit na bezwaar gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante gegrond verklaard en de rechtsgevolgen in stand gelaten.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv appellante ten onrechte
niet heeft betrokken bij het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het
primaire en het bestreden besluit, terwijl daar voldoende aanleiding toe
bestond. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit niet
met de nodige zorgvuldigheid voorbereid om welke reden zij het beroep
gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met
artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vernietigd.
Voorts heeft de rechtbank, na weging van de voorhanden zijnde gegevens
en het onderzoek ter harer zitting, de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit in stand gelaten en de conclusie uitgesproken dat
het Uwv de in het geding zijnde rechtsverhouding tussen appellante en
[betrokkene] terecht als een dienstbetrekking in de zin van artikel 3
van de sociale werknemersverzekeringswetten heeft aangemerkt.
In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Appellante betwist dat de werkzaamheden van [betrokkene] dienen
te worden aangemerkt als werkzaamheden die zijn verricht in het kader
van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Raad dient de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [betrokkene].
De Raad komt evenwel tot een andere afweging van de feiten en
omstandigheden zoals die naar voren komen dan de rechtbank en overweegt
daartoe het volgende.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad is het aan het Uwv om op
basis van de feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk te maken dat
sprake is van de aanwezigheid van het persoonlijk verrichten van arbeid,
een loonbetalingsverplichting en een gezagsverhouding. De Raad is anders
dan de rechtbank van oordeel dat het Uwv hierin niet is geslaagd. De
Raad overweegt gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zijner
zitting, dat onvoldoende is gebleken van met name een gezagsverhouding
van appellante ten opzichte van [betrokkene]. Gelet op de diversiteit
van de werkzaamheden van [betrokkene] bij een groot aantal klanten van
appellante heeft het Uwv zich onvoldoende inzicht verschaft in de
feitelijke situatie waarin [betrokkene] werkzaam was en heeft
onvoldoende blijk gegeven van een gewogen beoordeling van de
verzekeringsplicht aan de hand van de feitelijke situatie. Hier wreekt
zich het gebrek aan onderzoek in de bezwaarfase alsmede aan de daar
voorafgaande fase, zoals reeds geconstateerd is door de rechtbank en
voor haar reden was het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd
met artikel 3:2 van de Awb.
Ter zitting van de Raad heeft het Uwv de rechtsgrond van het bestreden
besluit uitgebreid in die zin dat gelet op de bedrijfsvoering van
appellante gesteld kan worden dat voldaan is aan de vereisten van
artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en er tevens sprake is van
een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Met
betrekking tot deze rechtsgrond is de Raad van oordeel dat deze tardief
is en niet ondersteund wordt door onderzoeksbevindingen bij eventuele
inleners ten aanzien van het aspect leiding en toezicht. Dit nader door
het Uwv ingenomen standpunt sterkt de Raad slechts in haar oordeel dat
het Uwv bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de daarbij
te betrachten zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor zover
die is aangevochten voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.
Die kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten en behoudens
voorzover daarin over de vergoeding van het griffierecht en de
proceskosten in eerste aanleg is beslist;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de
proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot €
644,--;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde recht van € 409,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 27 april 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|