|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4807 ALGEM
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 juli 2005, 03/1150
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 20 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG
Rechtsbijstand te Leusden, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Betrokkene is verschenen, met bijstand van mr. Bergenhenegouwen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet
(WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop
rustende bepalingen zoals deze luidden ten tijde als hier van belang.
Betrokkene heeft een tandartspraktijk. Tijdens een vanwege appellant in
juni 2003 uitgevoerde looncontrole is geconstateerd dat door betrokkene
buiten de loonadministratie betalingen zijn verricht aan mevrouw [M.]
(hierna: [M.]), voor verrichte werkzaamheden. Betrokkene en [M.] wonen
sinds 1988 samen en hebben op 12 mei 2000 een samenlevingsovereenkomst
gesloten. Naar aanleiding van de bevindingen van de looninspecteur heeft
appellant geconcludeerd dat [M.] haar werkzaamheden voor betrokkene
heeft verricht in een met een dienstbetrekking gelijk te stellen
arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 van de ZW, de WW en de WAO en
artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Staatsblad
655 (KB). Bij besluit van 8 juli 2003 heeft appellant ten aanzien van [M.]
verzekeringsplicht aangenomen. Appellant heeft hierbij opgemerkt dat in
artikel 8, eerste lid onder d (lees: f), van het KB weliswaar de
arbeidsverhouding die in overwegende mate wordt beheerst door een
familieverhouding is uitgezonderd, maar dat de Centrale Raad van Beroep
samenwoning niet op één lijn stelt met een familieverhouding.
Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 9 oktober
2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen
betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep
gegrond verklaard, het besluit van 9 oktober 2003 vernietigd, het
besluit van 8 juli 2003 herroepen, en bepaald dat haar uitspraak in de
plaats treedt van het vernietigde besluit. Voorts heeft de rechtbank het
onderzoek heropend ter bepaling van de omvang van schade die betrokkene
heeft geleden als gevolg van het vernietigde besluit op bezwaar. De
rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant [M.] ten onrechte
verplicht verzekerd heeft geacht op grond van de sociale
verzekeringswetten, nu het concubinaat tussen betrokkene en [M.]
aangemerkt dient te worden als een familieverhouding.
In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd
bestreden.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of concubinaat als
familieverhouding als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder f, van het
KB moet worden beschouwd.
De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen, waarbij appellant is
aangeduid als verweerder en betrokkene als eiser:
"Het is bestendige jurisprudentie van de CRvB dat concubinaat niet
als een familieverhouding in de zin van artikel 5, eerste lid, onder d,
van het KB van 14 december 1973, Stb. 1973/627, welke bepaling
overeenkomt met artikel 8, eerste lid, onder f, van het thans vigerende
KB, kan worden beschouwd.
De rechtbank stelt met verweerder vast dat tot nu toe niet is gebleken
dat de CRvB zijn standpunt, zoals vervat in zijn uitspraak van 3 mei
1977, expliciet heeft verlaten. Anders dan verweerder meent, betekent
dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat daaraan de conclusie zou
moeten worden verbonden dat deze jurisprudentie nog steeds van
toepassing is.
Uit eerdere uitspraken van de CRvB (met betrekking tot een al dan niet
gerechtvaardigd onderscheid tussen ongehuwd samenwonenden en gehuwd
samenwonenden in de sociale zekerheidswetgeving) volgt dat de CRvB van
belang acht de maatschappelijke omstandigheden en de rechtsopvattingen
op het gebied van huwelijk en samenwonen ten tijde in geding.
In casu zijn er naar het oordeel van de rechtbank voldoende redenen om
aan te nemen dat de maatschappelijke omstandigheden en de
rechtsopvattingen op het gebied van huwelijk en samenwonen thans in
zodanige mate verandering hebben ondergaan dat de uitleg die de CRvB in
het verleden aan het begrip ‘familieverhouding’ heeft gegeven, thans
niet meer houdbaar is. De rechtbank wijst in dit verband op de invoering
van artikel 1, derde, vierde en vijfde lid, van de ZW/WW/WAO per 1
januari 1998. Deze artikelleden in onderlinge samenhang brengen naar het
oordeel van de rechtbank met zich mee dat de uitleg van de in artikel 8,
eerste lid, onder f, KB genoemde term ‘familieverhouding’ thans niet
meer beperkt kan blijven tot gehuwden of hun bloedverwanten (in de
tweede graad)."
De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en maakt de
daartoe gebezigde overwegingen tot de zijne. Hetgeen appellant in hoger
beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen
brengen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant op grond van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht - met inachtneming van het
bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht - te veroordelen in
de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van €
644,-- in verband met verleende rechtsbijstand, € 424,72 als
verletkosten (8 uur * € 53,09) en € 37,-- als reiskosten, totaal
derhalve € 1.105,72.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep
tot een bedrag groot € 1.105,72, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 422,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van
der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 20 april 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|