|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4465 ALGEM
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 juni 2005, 04/2794
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.J.H.M. Berndsen, advocaat te Rotterdam,
hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2006, waar
appellante niet is verschenen, en waar het Uwv zich heeft laten
vertegenwoordigen door C. Groenewegen, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 maart 2004 het besluit van 15
augustus 2002, waarbij de correctienota over de periode 1 september 1999
tot en met 31 december 1999 in stand was gelaten, vernietigd op de grond
dat een specificatie van de berekening van het aantal niet verantwoorde
loondagen in de stukken ontbreekt. Voor de rechtbank was voorts niet
duidelijk op welke wijze het Uwv tot de vaststelling van de
gecorrigeerde lonen is gekomen. De overige door appellante in die
procedure opgeworpen grieven heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank
heeft het Uwv opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op
bezwaar.
Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de
uitspraak van de rechtbank van 24 maart 2004. Het Uwv heeft het tegen de
correctienota gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en deze nota
gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit
van 6 oktober 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd, waarbij is aangevoerd dat het Uwv bij de schatting van het
premieloon rekening had moeten houden met het maximaal aantal loondagen
van 261 per jaar.
De Raad stelt vast dat het Uwv het premieloon heeft geschat aan de hand
van de openingsdagen en -tijden van appellante en de personele bezetting
per dienst. Op basis van getuigenverklaringen is vastgesteld dat
appellante zeven dagen in de week was geopend en dat met betrekking tot
de personele bezetting moet worden uitgegaan van twee personen per
dienst. Het aantal werknemers dat door appellante voor deze diensten is
ingezet, kon voorts aan de hand van de administratie en de
getuigenverklaringen niet worden vastgesteld. Nu het maximaal aantal
loondagen op grond van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering per werknemer moet worden bepaald, had het Uwv gelet op het
vorenstaande bij zijn schatting met deze maximering geen rekening kunnen
houden. Indien de schatting onder deze omstandigheden ten nadele van
appellante zou uitvallen, dan is dit voorts een risico dat voor rekening
van appellante moet blijven. Daartoe merkt de Raad op dat appellante
heeft verzuimd een betrouwbare administratie te voeren op grond waarvan
de verschuldigde premies konden worden vastgesteld.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van
der Wiel en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 15 juni 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) C.M.T. Kruls.
|
|