|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3443 ALGEM
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 april 2005, 04/773
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Stichting [naam Stichting] (hierna: De Stichting).
Datum uitspraak: 15 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens de Stichting heeft mr. M.F. Groen, advocaat te Almelo een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Appellant
heeft zich doen vertegenwoordigen door C. Groenewegen, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De Stichting heeft zich
doen vertegenwoordigen door manager [naam manager], bijgestaan door mr.
Groen als raadsman.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet
(WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop
rustende bepalingen zoals deze luidden ten tijde als hier van belang.
De Stichting streeft in ruime zin na het bijeenbrengen, ontwikkelen en
overdragen van kennis en vaardigheden op het terrein van houding en
beweging aan individuen en specifieke doelgroepen met een curatief en/of
preventief doel en werkt daartoe samen met uitvoerende fysiotherapeuten.
Voor de Stichting is een van de fysiotherapeuten als
directeur/bestuurder gaan optreden, namelijk [naam betrokkene] (hierna:
betrokkene). In die hoedanigheid is laatstgenoemde door appellant
voorzover hier van belang als verzekeringsplichtig in de zin van artikel
3 van de sociale werknemersverzekeringswetten aangemerkt bij primair
besluit van 24 september 2003, welk standpunt mede met het oog op een op
24 maart 2004 gehouden hoorzitting in een na bezwaar genomen besluit van
2 juli 2004 is gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellant hierin niet
gevolgd. De rechtbank heeft zich daartoe samengevat op het standpunt
gesteld dat appellant zich van de arbeidsverhouding van [naam
betrokkene] geen voldoende concreet en duidelijk beeld heeft verschaft
en dat er geen sprake is geweest van een (zodanige) gezagsrelatie dat
verzekeringsplicht op basis van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten moet worden aangenomen.
Appellant kan zich - uitdrukkelijk baserend op de toepasselijkheid van
evenbedoeld artikel 3 uit de wetgeving onder terzijdelating van artikel
5 van die wetgeving en het Rariteiten-K.B. van 1986 - hiermee niet
verenigen en heeft daartoe het volgende aangevoerd waarbij de Stichting
wordt aangeduid als gedaagde:
"In casu gaat het om de werkzaamheden welke betrokkene in de
functie van bestuurder/directeur voor gedaagde uitvoert. In de statuten
van gedaagde zijn bepalingen opgenomen inzake deze functie. Gekozen is
voor een stichting met een Raad van Toezicht. Laatstgenoemd orgaan heeft
de taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur. Hiervoor zijn
haar een aantal mogelijkheden in de statuten toegekend. Allereerst dient
het bestuur de Raad van Toezicht bepaalde informatie te verschaffen
zodat de Raad haar toezicht kan uitoefenen. Betrokkene dient rekening en
verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beleid. Voorts
heeft betrokkene in zijn functie van bestuurder, op grond van de
statuten de toestemming van de Raad van Toezicht nodig voor het nemen
van bepaalde beslissingen (artikel 7). Wanneer er sprake is van
wanbeheer of betrokkene heeft geen toestemming gevraagd voor de
handelingen genoemd in artikel 7 van de statuten, heeft de Raad van
Toezicht vervolgens de mogelijkheid om betrokkene te schorsen dan wel te
ontslaan. Bij de opmaak van de statuten is bewust voor deze bepalingen
gekozen. Dit omdat het ROC Twente Plus zich borg heeft gesteld voor de
lening van gedaagde van f 150.000,- verstrekt door de (thuisbankier van
het ROC Twente plus) ING-bank en het ROC op enige wijze toezicht wilde
hebben en houden op hetgeen wordt ondernomen met de verstrekte gelden.
Zij heeft daarom in de persoon van de voorzitter van de Raad van bestuur
van het ROC Twente Plus zitting in de Raad van Toezicht van gedaagde.
Gelet op deze omstandigheden zijn wij van mening dat betrokkene werkzaam
is onder het gezag van de Raad van Toezicht."
Verder heeft appellant in reactie op de aangevallen uitspraak nog
opgemerkt dat niet in te zien valt:
“dat ondanks de statutaire bepalingen de Raad van Toezicht niet haar
(statutaire) bevoegdheden zal gebruiken in een conflictsituatie met
betrokkene of bij andere omstandigheden. In tegenstelling, naar onze
mening blijkt uit het feit dat er vergaderingen zijn waar informatie
wordt uitgewisseld o.a. met betrekking tot het gebruik van financiële
middelen, dat de statutaire bepalingen worden nageleefd en de Raad van
Toezicht haar taak uitvoert. Immers wanneer de informatie wordt
uitgewisseld geeft de Raad van Toezicht impliciet haar toestemming voor
bepaalde handelingen. Dat betrokkene de vergadering voorzit, doet hier
niets aan af.”
Loonbetaling van [naam betrokkene] voor bestuurlijk werk heeft appellant
uitdrukkelijk uit de jaarstukken en financiële gegevens afgeleid.
De Stichting heeft in verweer ontkend dat in de onderhavige situatie
sprake is van een gezagsverhouding en een verplichting tot loonbetaling
ten behoeve van [naam betrokkene]. Het Raad van Toezicht - model was een
standaardconstructie en die raad functioneerde slechts op afstand als
adviseur en klankbord en kwam hooguit twee keer per jaar bijeen. En
omdat die raad slechts uit twee en niet uit drie leden bestond, lag
ingrijpen in conflictsituaties niet in de rede en ontslag uit de
bestuursfunctie van [naam betrokkene] bracht nog geen ontbinding van de
arbeidsovereenkomst anders dan via de kantonrechter met betrokkene mee.
Tevens is loonbetaling van [naam betrokkene] voor bestuurlijk werk met
klem ontkend.
De Raad overweegt te dien aanzien op grond van de stukken en het
verhandelde ter zitting het volgende.
Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat appellant voldoende
feitenonderzoek heeft gepleegd om daarop een genoegzaam afgewogen
oordeel over de al dan niet aanwezigheid van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten in het geval van [naam betrokkene] als
directeur/bestuurder te grondvesten. Daartoe dient aan drie elementaire
vereisten te worden voldaan.
De aanwezigheid van een persoonlijke arbeidsverplichting van [naam
betrokkene] als bestuurder/directeur voor de Stichting is tussen
partijen in confesso en de Raad ziet hieromtrent geen aanleiding een
ander standpunt in te nemen.
Wat de vraag naar de aanwezigheid van een gezagsrelatie tussen de Raad
van Toezicht en [naam betrokkene] betreft, oordeelt de Raad dat hij die
in bevestigende zin moet beantwoorden. De deel van het dossier
uitmakende arbeidsovereenkomst, statutaire bepalingen en overige feiten
geeft de Raad van Toezicht beleidsmatig een dominante positie van
waaruit voor relevante beleidsbeslissingen en in een conflictsituatie
concreet gezag jegens [naam betrokkene] te beginnen met uitwisseling van
informatie tot verantwoording en geregeld toestemming en met als laatste
drukmiddel schorsing en ontslag van [naam betrokkene] kan worden
aangewend. Via de Raad van Toezicht was tevens het controlerend sauveren
van financiële belangen duidelijk gewaarborgd tegen van die zijde
ongewenste bestuursbeslissingen. Dat hiervan niet licht en zeker niet
zonder meer gebruik zou worden gemaakt ten aanzien van [naam betrokkene]
als enig bestuurder doet hieraan niet af. Reeds hierdoor acht, in
tegenstelling tot de gebleven ontkenning door de Stichting, de Raad het
bestaan van een gezagsrelatie tussen de Raad van Toezicht en [naam
betrokkene] gegeven.
Ook bieden de stukken, met inachtneming van beschikbare jaarstukken en
financiële gegevens over 1998, 1999 en 2000 inclusief de door het
management en met name de door [naam betrokkene] zelf exact beantwoorde
vragen op een vragenlijst, naar het oordeel van de Raad genoegzame
aanknopingspunten om de verplichting tot het doen van een afgesplitste
bestuursvergoeding te beschouwen als afdwingbare beloning voor de
contraprestatie van exclusief de bestuurlijke arbeid aannemelijk te
achten. Voor een processuele ontkenning vanwege de Stichting als zou een
zodanige vergoeding niet aan de orde zijn geweest en als zou het slechts
betalingen voor in dit geding niet aan de orde zijnde
fysiotherapeutische behandelingen e.a. betroffen hebben, acht de Raad
van realiteitszin gespeend te meer nu hij hiervoor, anders dan het
tegendeel, niet enig vereist concreet controleerbaar en verifieerbaar
bewijs in de stukken heeft kunnen aantreffen.
Met de vaststelling van vorenstaande elementen is het bestaan van
verzekeringsplicht van rechtswege op basis van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking voor [naam betrokkene] als bedoeld in artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten komen vast te staan. Dat de
Stichting met door haar gekozen vormgeving hieraan heeft beoogd te
ontkomen kan volgens de Raad aan de toepasselijkheid van deze
prevalerende dwingendrechtelijke wetsbepaling - waartoe appellant zijn
nadere standpuntbepaling op goede gronden expliciet heeft beperkt - als
zodanig niet in de weg staan.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en
dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van
der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 15 juni 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) C.M.T. Kruls.
|
|