|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3515
ALGEM
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna:
appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 april 2005, 03/1677
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem, hoger beroep
ingesteld.
Bij brief van 5 juli 2005 heeft mr. F.A.K.J. de Roock, verbonden aan
D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij te Amsterdam,
zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2006. Voor
appellante is verschenen E.C. Kloosterboer, directeur van appellante,
bijgestaan door mr. De Roock.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als
hier van belang.
Appellante exploiteert een veem- en vriesbedrijf. Bij een op 15 mei 2002
bij appellante uitgevoerde looncontrole over de jaren 1997 tot en met
2001, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 3
december 2002, zijn in de loonadministratie over genoemde jaren bedragen
aangetroffen onder de post ‘losse hulpen’. Deze hulpen, waarvan
appellante ook desgevraagd geen personalia heeft opgegeven, zijn in de
loonadministratie verantwoord als anonieme werknemers en over hun loon
is tegen anoniementarief loonbelasting afgedragen. De betalingen zijn
echter niet als premieloon verantwoord. Vanaf week 18 van het jaar 2000
heeft appellante 25% van het bedrag van de post ‘losse hulpen’ als
fooien voor de chauffeurs aangemerkt en niet meer in de
loonadministratie verantwoord. Appellante kon niet meedelen aan welke
personen deze betalingen zijn verricht.
Het Uwv heeft alle betalingen die geboekt zijn onder de post ‘losse
hulpen’ en ‘fooien aan chauffeurs’ aangemerkt als premieloon en in
verband hiermee op 18 december 2001 aan appellante correctienota’s
opgelegd over de jaren 1997 tot en met 2001. Voorts heeft het Uwv op 23
januari 2003 over de jaren 1998 en 1999 een verzuim geregistreerd en op
28 januari 2003 boetenota’s opgelegd over de jaren 1998 tot en met
2001. Bij besluit van 31 oktober 2003 zijn de bezwaren van appellante
tegen de hiervoor genoemde besluiten ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep ongegrond
verklaard. Zij heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat sprake was
van betalingen voor verzekeringsplichtige arbeid en dat het niet
volledig voldoen aan de loonopgaveverplichting is te wijten aan opzet of
grove schuld.
In hoger beroep heeft appellante de juistheid van dit oordeel
gemotiveerd bestreden.
De Raad stelt op grond van het looncontrolerapport vast dat appellante
de hier aan de orde zijnde betalingen stelt te hebben gedaan aan
personen die zich op afroep bezighielden met het laden en lossen van
gekoelde dan wel bevroren producten vanuit de vrachtwagens in de
koelcellen en andersom, en - deels - aan vrachtwagenchauffeurs die
hielpen met het laden en lossen. Appellante heeft ten tijde van de
looncontrole en ook nadien niet voldaan aan het verzoek van het Uwv om
opgave te doen van de personalia van de personen aan wie de betalingen
zijn verricht, en heeft ook geen administratie bijgehouden van de
betaalde bedragen.
In een geval als het onderhavige, waarin sprake is van betalingen aan
onbekende personen, dient naar vaste rechtspraak van de Raad eerst de
vraag te worden beantwoord of het Uwv zich in redelijkheid op het
standpunt heeft kunnen stellen dat uit de van de werkgever verkregen
gegevens en inlichtingen kan blijken dat sprake is van premieloon.
Indien dit het geval is, dient de werkgever aannemelijk te maken dat de
betalingen niet zijn gedaan aan verzekeringsplichtig personeel. De Raad
is van oordeel dat de hiervoor genoemde vraag bevestigend moet worden
beantwoord. Bij dit oordeel heeft hij doorslaggevende betekenis
toegekend aan het feit dat appellante de betalingen aanvankelijk
volledig en later met uitzondering van de als fooi betitelde bedragen in
haar loonadministratie heeft opgenomen en hierover loonbelasting heeft
afgedragen, en dat de betalingen onbetwist uitsluitend betrekking hebben
op verrichte arbeid.
Gegeven dit oordeel is het aan appellante om aannemelijk te maken dat
geen sprake is van premieloon. Appellante heeft zich in dit verband in
de eerste plaats beroepen op het vertrouwensbeginsel. Daartoe heeft zij
gewezen op haar brief van 25 november 1994 aan de rechtsvoorganger van
het Uwv, waarin zij de arbeidsverhouding met een groep van 25 à 30
personen die beschikbaar zijn om laad- en loswerkzaamheden te verrichten
ter beoordeling heeft voorgelegd, en op het antwoord op die brief van 12
december 1994, inhoudende dat in het door appellante geschetste geval
geen sprake is van een dienstverband gezien het ontbreken van een
gezagsverhouding. De Raad kan appellante echter in dit betoog niet
volgen, reeds omdat uit beide brieven niet blijkt dat het in 1994 ook al
ging om arbeid door en betalingen aan een wisselende groep van onbekende
personen welke bovendien in de loonadministratie werden verantwoord.
Appellante heeft dan ook aan voormelde brief niet een gerechtvaardigde
verwachting kunnen ontlenen dat het Uwv ook de onderhavige betalingen
als betalingen voor niet-verzekeringsplichtige arbeid zou aanmerken.
Ook overigens is appellante naar het oordeel van de Raad er niet in
geslaagd aannemelijk te maken dat geen sprake was van premieloon. De
stelling dat er geen verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting is
en een gezagsverhouding ontbreekt, omdat het gaat om eenvoudig laad- en
loswerk, dat op afroep is verricht door een qua samenstelling sterk
wisselende groep scholieren en voor een deel door de
vrachtwagenchauffeurs is niet onderbouwd en daarnaast ontoereikend. De
Raad heeft op grond van de beschikbare gegevens veeleer de overtuiging
gekregen dat de bedragen een beloning betreffen voor werkzaamheden die
passen binnen de normale bedrijfsuitoefening van appellante en dat
voldaan is aan de kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Hij verwijst daartoe naar de overwegingen van de rechtbank, welke hij
onderschrijft. Het oordeel dat sprake is van premieloon geldt eveneens
voor de ten titel van fooien aan onbekende chauffeurs geboekte
betalingen, reeds omdat appellante niet aan de hand van concrete en
verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingen niet
zijn gedaan aan de losse hulpen.
Uit het voorgaande volgt dat de correctienota’s over de jaren 1997 tot
en met 2001 in stand kunnen blijven. Met dit oordeel is gegeven dat
appellante over de jaren 1998 tot en met 2001 de in artikel 10, tweede
lid, van de CSV verplichting heeft geschonden, zodat terecht een verzuim
is geregistreerd over 1998 en 1999 en over de jaren 1997 tot en met 2001
terecht een boete is opgelegd. De Raad is evenals de rechtbank van
oordeel dat de overtreding terecht is gekwalificeerd als opzet dan wel
grove schuld. Nu appellante er gelet op het geen hiervoor is overwogen
niet op heeft kunnen vertrouwen dat geen sprake was van premieloon, is
het niet doen van loonopgave gezien haar verantwoordelijkheid ter zake
als werkgever een als grove schuld aan te merken ernstige nalatigheid.
Gezien het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden
bevestigd.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van
der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 26 juli 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) C.M.T. Kruls.
|
|