|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/6874
ALGEM en 05/6905 ALGEM
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
2. [belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna:
belanghebbende),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2005,
03/4720 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
belanghebbende
en
Uwv.
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv en belanghebbende hebben hoger beroep ingesteld tegen de
aangevallen uitspraak.
Vervolgens hebben zij over en weer verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft op 6 juli 2006 plaatsgevonden. Partijen
zijn vanwege de Raad opgeroepen aldaar te verschijnen. Het Uwv heeft
zich evenwel niet laten vertegenwoordigen. Voor belanghebbende is
verschenen mr. J.W.R. de Bas, werkzaam bij KPMG Meijburg & Co
Belastingadviseurs te Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
Op basis van door de Opsporingdienst Regio Noord-West uitgevoerd
onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 15
september 2000, heeft het Uwv onder meer vastgesteld dat belanghebbende
geen dan wel onjuiste loonopgave heeft gedaan van betalingen die zijn
gedaan aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), [betrokkene 2]
(hierna: [betrokkene 2]) en [betrokkene 3] (hierna [betrokkene 3]).
Hierin heeft het Uwv aanleiding gezien om correctienota’s over de
jaren 1996 tot en met 1998 op te leggen.
De tegen deze correctienota’s gemaakte bezwaren zijn door het Uwv bij
besluit van 23 juli 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is
door de rechtbank bij uitspraak van 17 januari 2002 vernietigd met de
bepaling dat Uwv een nieuw besluit dient te nemen.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 5
september 2003 de bezwaren tegen de in geding zijnde correctienota’s
over de jaren 1996 tot en met 1998 ongegrond verklaard, behoudens
voorzover deze betrekking hebben op de werkzaamheden die [betrokkene 3]
in zijn bestuurstaak als secretaris en als administratief medewerker
heeft verricht.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het Uwv bij het besluit van
5 september 2003 terecht premieplicht heeft aangenomen ten aanzien van
[betrokkene 3], en de daaruit voortvloeiende correctienota’s terecht
in stand heeft gelaten. Het beroep is in zoverre ongegrond verklaard. De
rechtbank kan zich echter niet verenigen met de berekening van het
premieloon van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], hetgeen haar aanleiding
heeft gegeven het beroep op dit punt gegrond te verklaren.
Op basis van verklaringen van [betrokkene 3], [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]), [betrokkene 5] (echtgenote van [betrokkene 3]),
[betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]), [betrokkene 2], [betrokkene 6]
en [betrokkene 8] heeft de rechtbank vastgesteld dat [betrokkene 3] over
de jaren 1996 en 1997 bij belanghebbende werkzaam is geweest als kok.
Tevens is de rechtbank van oordeel dat tussen belanghebbende en
[betrokkene 3] in de hier relevante periode sprake was van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten, zodat belanghebbende met
betrekking tot de loonbetalingen aan [betrokkene 3] premieplichtig was.
De rechtbank heeft voorts op grond van de voorhanden zijnde gegevens
geoordeeld dat de schatting van het premieloon van [betrokkene 3] op
basis van het geldende CAO niet onredelijk is te achten. De schatting
van het premieloon van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op basis van het
geldende CAO heeft de rechtbank daarentegen onvoldoende gemotiveerd
geacht. Volgens de rechtbank heeft het Uwv daarbij onvoldoende
aannemelijk gemaakt dat het door belanghebbende opgegeven bedrag aan
loon niet betrouwbaar is. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de
redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
is overschreden.
Het Uwv en belanghebbende hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen
de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
Wat het hoger beroep van het belanghebbende betreft verenigt de Raad
zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag
liggende overwegingen en maakt deze tot de zijne.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door belanghebbende is
aangevoerd voegt de Raad hieraan nog het volgende toe.
Allereerst merkt de Raad op dat de in de uitspraak van de rechtbank van
17 januari 2002 genoemde termijn van zes weken waarbinnen het Uwv een
nieuw besluit had moeten nemen een termijn van orde is, aan de
overschrijding waarvan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen
consequenties verbindt, behoudens de mogelijkheid om tegen het
uitblijven van een besluit op bezwaar bij de rechtbank beroep aan te
tekenen.
Voorts kan het standpunt van belanghebbende dat de werkzaamheden van
[betrokkene 3] moeten worden beschouwd als vriendendienst gelet op de
omvang van deze werkzaamheden en het feit dat hij hiervoor vergoedingen
ontving niet worden gevolgd. De Raad stelt op basis van verklaringen van
onder meer [betrokkene 2], [betrokkene 4], [betrokkene 6] en [betrokkene
3] ook vast dat [betrokkene 3] niet alleen in 1996 maar ook in het jaar
1997 voor belanghebbende als kok heeft gewerkt. Dat in de hier relevante
perioden sprake zou zijn van zogenoemde meeromvattende werkzaamheden is
de Raad voorts uit de verklaringen niet gebleken. Wel is op basis van de
verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] vast te stellen dat
[betrokkene 3] over het jaar 1996 meer loon heeft genoten dan de in
beroep en in hoger beroep gestelde ƒ 750,--.
Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat belanghebbende heeft
verzuimd een betrouwbare administratie te voeren op grond waarvan de
verschuldigde premies konden worden vastgesteld. Het Uwv is gelet hierop
terecht overgegaan tot een schatting van het premieloon. Omdat
[betrokkene 3] en [betrokkene 4] omtrent het genoten loon tegenstrijdige
verklaringen hebben afgelegd en de hoogte van het genoten loon ook op
basis van de overige gegevens niet (bij benadering) is vast te stellen,
heeft het Uwv de schatting in redelijkheid kunnen baseren op de lonen
zoals die in de geldende CAO zijn vermeld.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende niet
slaagt.
Met betrekking tot het hoger beroep van het Uwv overweegt de Raad het
volgende.
Allereerst merkt de Raad op dat het Uwv kan worden gevolgd in zijn
standpunt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden
door een oordeel te geven over de in bezwaar gehandhaafde
correctienota’s die betrekking hebben op [betrokkene 1]. Op grond van
de stukken kan worden vastgesteld dat belanghebbende deze
correctienota’s in beroep niet langer heeft betwist, hetgeen ook in
hoger beroep door belanghebbende is erkend.
De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de rechtbank dat
de keuze van het UWV om het loon van [betrokkene 2] te schatten aan de
hand van de lonen ingevolge de CAO ondeugdelijk is gemotiveerd. Daartoe
overweegt de Raad dat uit de verklaring van [betrokkene 2] uitsluitend
blijkt dat zij meer dagen heeft gewerkt dan die door belanghebbende aan
het Uwv zijn opgegeven. Uit de verklaringen van de overige getuigen is
de Raad niet gebleken dat belanghebbende terzake van de hoogte van het
loon van [betrokkene 2] onjuiste opgave heeft gedaan. Gelet hierop had
het Uwv de door [betrokkene 2] opgegeven gewerkte dagen moeten
vermenigvuldigen met het loon dat [betrokkene 2] volgens de onder de
gedingstukken bevindende loonspecificatie over die dagen heeft genoten.
Het Uwv heeft het standpunt van de rechtbank dat de afhandeling van het
bezwaarschrift onredelijk lang heeft geduurd, waardoor artikel 6 van het
EVRM is geschonden, betwist. De Raad stelt vast dat belanghebbende op 5
april 2001 bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 26 maart 2001 en
dat de Raad in hoger beroep thans op 31 augustus 2006 uitspraak doet.
Daarmee is gegeven dat de totale procedure ruim vijf jaar heeft geduurd.
De Raad is van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM
bedoelde redelijke termijn is overschreden, waarbij in aanmerking is
genomen dat deze zaak niet als complex is aan te merken en in de
opstelling van belanghebbende geen rechtvaardiging is aangetroffen voor
de lange duur van de procedure.
Voorts stelt de Raad vast dat de door belanghebbende ingediende
bezwaarschriften van 5 april 2001 hebben geresulteerd in het besluit van
23 juli 2001 en dat vervolgens na vernietiging door de rechtbank van dat
besluit, door het Uwv opnieuw op de bezwaren is beslist op 5 september
2003. De Raad is van oordeel dat het Uwv door de lange termijn die hij
heeft genomen om zijn besluitvorming af te ronden, belanghebbende ervan
afgehouden heeft om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op
berechting binnen een redelijke termijn te effectueren. Ook daarbij
heeft de Raad in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet
als complex is aan te merken, noch in de opstelling van belanghebbende
een rechtvaardiging is aangetroffen voor de procedurele handelwijze van
het Uwv die ertoe heeft geleid dat tussen het indienen van het bezwaar
tegen de besluiten van 26 maart 2001 en het nemen van het besluit van 23
juli 2001 een periode van ruim drie en een halve maand heeft gelegen en
tussen de datum van de uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2002 en
het uiteindelijke besluit van 5 september 2003 een periode van bijna
één jaar en acht maanden heeft gelegen, waarmee ruimschoots een
termijn van twee jaar is overschreden.
Zoals door het Uwv in hoger beroep reeds is aangegeven, wordt de
aantasting van de belangen van belanghebbende bij berechting van haar
geschil binnen een redelijke termijn blijkens vaste jurisprudentie
voldoende gecompenseerd indien, bij de afweging of er grond is om rente
vast te stellen over hetgeen belanghebbende nog aan het Uwv verschuldigd
is, gedurende de periode waarin het Uwv onrechtmatig heeft getalmd met
de besluitvorming het heffen van rente over de achterstallige premies
achterwege wordt gelaten. Gedaagde zal bij de invordering van de premies
het voorgaande dienen te betrekken.
Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het hoger beroep van het Uwv
slaagt voorzover dat betrekking heeft op de nageheven premies over de
betalingen aan [betrokkene 1]. Dit betekent ook dat de aangevallen
uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De
aangevallen uitspraak komt voor het overige voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht het aangewezen om op te merken dat het Uwv het premieloon
van [betrokkene 2] niet ten nadele van belanghebbende op een hoger dan
in het besluit van 5 september 2003 neergelegde bedrag mag vaststellen.
Dit in verband met het in artikel 7:11 eerste lid, van de Awb besloten
liggende verbod van reformatio in peius.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de
proceskosten welke belanghebbende in hoger beroep heeft gemaakt met
betrekking tot het hoger beroep van het Uwv. Deze worden begroot op €
644,-- wegens verleende rechtsbijstand.
Hetgeen door belanghebbende naar voren is gebracht geeft de Raad geen
aanleiding voor een integrale vergoeding van de proceskosten in
afwijking van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze ziet op de
correctienota over het jaar 1998;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van belanghebbende in hoger
beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van
der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|