|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/2591
ALGEM
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2006, 05/2900
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 april 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. M.M.L. Willems, belastingadviseur te
Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 1
maart 2007. Zoals aangekondigd hebben partijen zich niet laten
vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten
tijde hier van belang.
Voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden verwijst
de Raad naar de aangevallen uitspraak. Mede gelet op hetgeen in hoger
beroep is aangevoerd volstaat de Raad met het volgende.
Appellante houdt zich bezig met de opslag van goederen en de bewerking
daarvan, zoals verpakken, sealen en stickeren. Deze werkzaamheden worden
gedeeltelijk uitbesteed aan thuiswerkers. Een onderzoek van de Sociale
Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) heeft uitgewezen dat betalingen
aan personen die deze werkzaamheden verrichten in de bedrijfspanden van
appellante, ook in de administratie wordt verantwoord onder de post
“thuiswerk” en dat over deze betalingen geen premies voor de sociale
werknemersverzekeringswetten zijn afgedragen. In navolging van partijen
zal ook de Raad evenbedoelde personen aanduiden als “fictieve
thuiswerkers”. Op basis van de bevindingen van de SIOD en van de
belastingdienst heeft een looninspecteur van het Uwv in een rapport van
12 januari 2004 onder meer het loon berekend dat in 2003 is uitbetaald
aan de fictieve thuiswerkers en waarover appellante alsnog premies is
verschuldigd.
Bij besluit van 14 juni 2004 heeft het Uwv de verschuldigde premies over
2003 nageheven.
Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij zich onder
meer op het standpunt gesteld dat zij geen premies is verschuldigd over
de betalingen verricht aan de fictieve thuiswerkers, omdat deze personen
niet tot haar in dienstbetrekking staan.
Het Uwv heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 10 juni 2005
(hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv
onder meer overwogen dat de fictieve thuiswerkers in een
verzekeringsplichtige arbeidsrelatie voor appellante werkzaam zijn en
wel op grond van artikel 3 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Werkloosheidswet (WW) en de
Ziektewet (ZW). Daarbij heeft het Uwv zich gebaseerd op hetgeen in het
kader van het onderzoek van de zijde van appellante is verklaard,
namelijk dat de fictieve thuiswerkers persoonlijk en in opdracht en op
aanwijzingen van appellante hun werkzaamheden verrichten tegen een reële
arbeidsbeloning. Het Uwv heeft voorts overwogen dat de omstandigheid dat
geen nader onderzoek verricht kan worden in verband met het ontbreken
van NAW-gegevens, geheel en al voor rekening en risico van appellante
komt en dat in zoverre sprake is van omkering van bewijslast.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met
betrekking tot de vraag of de betalingen aan de fictieve thuiswerkers
moeten worden aangemerkt als premieplichtig loon, heeft de rechtbank in
het licht van ’s Raads uitspraak van 22 februari 1995 (RSV 1995/215)
overwogen dat het Uwv zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen
stellen dat hiervan sprake is. Voorst heeft de rechtbank overwogen dat
appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat er geen
sprake is van verzekeringsplicht.
In hoger beroep heeft appellante uitsluitend bestreden dat de fictieve
thuiswerkers tot haar in een verzekeringsplichtige arbeidsrelatie staan.
Daarbij heeft zij de juistheid van de omkering van de bewijslast ter
zake betwist.
Wat er zij van de omkering van de bewijslast, gelet op de gedingstukken
lijdt het naar het oordeel van de Raad geen twijfel dat de fictieve
thuiswerkers - in feite oproepkrachten - hun werkzaamheden verrichten in
een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de
WAO, de WW en de ZW. Telkens wanneer zij aan een oproep gehoor geven,
zijn zij gehouden de werkzaamheden persoonlijk te verrichten onder gezag
van appellante. Nu zij ook voor hun werkzaamheden worden betaald, wordt
aan alle voorwaarden voldaan voor het aannemen van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dat het om eenvoudige werkzaamheden
gaat en het voor appellante niet uitmaakt wie de werkzaamheden verricht,
betekent nog geenszins dat degene die aan een oproep gehoor geeft, de
werkzaamheden niet persoonlijk behoeft te verrichten. Dat appellante er
niet van op de hoogte is wie de werkzaamheden verrichten, kan hieraan
niet afdoen, te minder nu op haar ingevolge artikel 55, derde lid, van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen de verplichting
rust de identiteit van verzekerden vast te stellen aan de hand van een
document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
De Raad overweegt voorts dat, ook al betreft het dezelfde werkzaamheden
als die welke de echte thuiswerkers verrichten, nu de werkzaamheden
worden verricht in de bedrijfspanden van appellante met gebruikmaking
van haar machines en de werkzaamheden binnen een bepaald tijdsbestek
afgerond dienen te zijn, het onaannemelijk is dat de mogelijkheid van
gezagsuitoefening ontbreekt.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van
der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 26 april 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|